Zo welsprekend als onder handen van Iván Fischer klinkt een Schumann-symfonie maar zelden

1 uur geleden 2

Voor liefhebbers van dirigent Iván Fischer, honorair gastdirigent van het Concertgebouworkest, is het een rijk jaar. In maart won Fischer de Concertgebouw Prijs, daarbij geroemd om zijn originaliteit. In juni geeft hij bij het orkest de jaarlijkse masterclass dirigeren wat, getuige een eerdere editie, talloze muzikale inzichten en bon mots oplevert. In oktober zijn er – een première voor het orkest – stadionconcerten in de Ziggo Dome mét Fischer: met twaalfduizend man meezingen met de Negende symfonie van Beethoven (‘Alle Menschen werden Brüder!’).  En woensdag deed Fischer met zijn eigen Budapest Festival Orchestra eenmalig het Concertgebouw aan met onder meer Schumanns Derde ‘Rheinische’ symfonie en de slotscène uit Wagners Die Walküre.

‘Originaliteit’ is een breed begrip. Het programma waarmee Fischer en zijn orkest deze twee weken langs zes steden reizen is op papier vrij mainstream in verhouding tot de experimenten waar hij als dirigent óók bekend om staat. In Schumanns Derde symfonie duiken geen koperblazers op midden in de zaal, er zit geen publiek tussen het orkest en in de uitgevoerde slotscène uit Wagners Die Walküre staan Brünnhilde en Wotan gewoon voor op het podium. De verrassing moest dit keer ín de muziek worden gezocht – en werd daar ook volop gevonden.

Fischer (1951) was ooit assistent van dirigent Nikolaus Harnoncourt (1929-2016). Diens opvattingen, terug te lezen in het handboek over uitvoeringspraktijk Musik als Klangrede (‘muziek als klinkende taal’) en Töne sind höhere Worte (gesprekken over romantische muziek) hebben Fischer geïnspireerd. Of preciezer: hij is de weg die Harnoncourt is ingeslagen aan het uitlopen, zich intussen vrolijk verwonderend over al het moois op dat pad.

Vrolijke verwondering

De keuze voor juist de slotscène uit Wagners Die Walküre is ongebruikelijk: meestal wordt bij Wagner-in-concert gekozen voor de eerste akte – een mini-opera op zich. Maar je snapt ook direct dat een filosofisch ingesteld musicus als Fischer meer aanslaat op juist die slotscène uit de derde akte, waarin het vlamt in de tweespraak tussen oppergod Wotan en lievelingsdochter Brünnhilde over ontbrandbare thema’s als gehoorzaamheid en vernedering. Bijkomend voordeel: je hebt maar twee zangers nodig. Anja Kampe bleek een Brünnhilde van wereldformaat. Bij Wagner heerst Wotan, en wordt Brünnhilde uit het Walhalla verbannen. Maar vocaal maakte Kampe hier meer indruk dan de baritonaal-intieme Wotan van Hanno Müller-Brachmann.

Het geweldig spelende Budapest Festival Orchestra – karakteristiek hout, nobel koper, stralende strijkers – werd door Fischer ingetoomd tot een heldere, Mendelssohnachtige Wagner-klank. Acht contrabassen, middenachter voor het orgel opgesteld, zorgden voor een zoemend fundament. Drie kwartier smaakte sterk naar meer: hoe zou in deze interpretatie de bombastische Walkürenritt hebben geklonken, bijvoorbeeld?

Aan Wagner ging een detailrijke uitvoering van Schumanns Derde symfonie vooraf. Het orkest was opgesteld in ‘Harnoncourt’-opstelling: eerste en tweede violen tegenover elkaar. Dat betaalde zich direct uit in flitsende echo-effecten. Maar alle delen muntten uit in muzikale welsprekendheid. Zozeer zelfs dat elk deel ook een eigen tussenapplausje kreeg. Per maat, per noot soms, verschoten sfeer en/of de dynamiek, van trage boerendans tot duistere plechtstatigheid. Zo welsprekend hoor je een romantische symfonie maar zelden, en juist dát ontroerde.

Lees ook

Dirigent Iván Fischer kreeg de Concertgebouw Prijs: ‘Ik hoop dat Bach het cultuurdagboek leest’

Iván Fischer dirigeert het Koninklijk Concertgebouworkest bij het Concertgebouw Diner.
Lees het hele artikel