‘Als je met een ingenieursblik naar de natuur kijkt wurg je de ziel uit de biologie’

3 uren geleden 1

‘Mist. Een meevaller.” Theunis Piersma (1958) oogt opgelucht als hij de dijk van zijn woonplaats Gaast oploopt, langs de Friese IJsselmeerkust. „Beter kun je het niet hebben. Zo blijven de windmolens tenminste aan het oog onttrokken.”

Bijna zes jaar geleden wandelden we hier ook, verrekijkers om de nek, richting de Workumerwaard. Turend naar de grutto’s, die Piersma in zijn 50-jarige loopbaan als trekvogelecoloog zo uitgebreid heeft bestudeerd. Voor zijn onderzoek naar global flyways – grootschalige migratieroutes – en naar de invloed van onder meer klimaat en voedselbeschikbaarheid op trekvogels ontving hij door de jaren heen prestigieuze onderscheidingen in binnen- en buitenland. „Nog altijd zenderen we de grutto’s en monitoren we hun trekroutes. Maar puur voor mijn plezier kom ik tegenwoordig zelden nog buiten. Te veel landschapspijn.”

Als jongen kwam Piersma al in Gaast, op werkbezoek met zijn vader, die dierenarts was op het Friese platteland. „Tienduizenden grutto’s, met gemak. Nu zijn het er hooguit tientallen.” De bloemen, de insecten, de huiszwaluwen – allemaal zijn ze in aantal achteruitgegaan. „Hier zie je hoe de Grote Vergiftiging van Nederland doorwerkt in het landschap.”

En dus omringt de bioloog zich nu door papieren natuur. Boeken over biologie, die lijken zich hier in Gaast nog wél in hoog tempo te vermenigvuldigen. In de grote, lichte werkkamer zijn de boekenkasten tot aan het plafond gevuld. „Dat is één van de voordelen van het emeritaat”, glimlacht Piersma. „Tijd voor leven én voor lezen.”

Op Texel, bij het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee, leidde een groot trekvogelsymposium eind februari officieus het emeritaat van zijn hoogleraarschap in. Niet dat hij écht stopt, natuurlijk, „Maar ik ben niet langer een horige van bedrijfsbelangen. Geen lange vergaderingen meer, geen eindeloze gevechten met de bureaucratie. Er komt weer meer ruimte voor de natuurwetenschappelijke kant. En dat treft, want het is weliswaar een afschuwelijke tijd voor de wereld, maar een fantastische tijd voor de biologie. Er vindt een revolutie in het denken plaats. Steeds meer dringt het besef door dat dieren geen machines zijn, dat ze flexibel kunnen reageren op veranderingen in de omgeving – en dat die omgeving dezelfde is als de onze.”

Niet toevallig gaf een van de sprekers op het symposium, viroloog Marion Koopmans, een lezing over one health: de benadering waarbij het naast goede gezondheidszorg voor mens en dier óók draait om voeding en klimaat, schoon water, schone energie en schone lucht. Piersma: „We moeten weer oog krijgen voor het grotere geheel. Alles is met alles verbonden.”

En dat terwijl het eind jaren zeventig, toen Piersma in Groningen begon met studeren, juist werd ingezoomd op het kleine. Het leek zonneklaar: biologie draaide om genen. „Binnen de gedragsbiologie, het vakgebied dat mede werd vormgegeven door grootheden als Niko Tinbergen, ging het voortdurend over nature versus nurture. Maar dat is een volstrekt verkeerde vraag! Zo’n cartesiaanse tweedeling is veel te star; dna is niet de norm der dingen. Het is een belangrijke hulpbron, zeker, maar het is stompzinnig om je erop blind te staren. Er is naast die genetische bouwstenen zovéél dat van belang is voor de ontwikkeling van een individu: van de temperatuur van de baarmoeder en het stressniveau van de moeder tot en met oudere soortgenoten die een voorbeeldrol vervullen.

„Het is niet of-of maar en-en. We moeten af van de dichotomieën in ons denken. Mens versus dier, bezield versus onbezield: wie houden we nu voor de gek? Toch was die filosofische erfenis van Descartes lang voelbaar in het biologische gedachtegoed. De ziel was voorbehouden aan de mens, en dus werden planten en dieren gereduceerd tot machines.”

Foto Lars van den Brink

Niet alles is met een survival-of-the-fittest-bril te verklaren

Ook Piersma trad aanvankelijk enthousiast in de voetsporen van zijn leermeesters, en keek naar de natuur „met een ingenieursblik”. „Evolutionaire selectiedruk is een productieve manier van kijken, maar het werd gepresenteerd alsof het een doelmatigheid zou zijn – alsof een koolmees acht eieren legt in plaats van zeven of negen omdát het voordeliger zou zijn. Maar niet alles is met een survival-of-the-fittest-bril te verklaren. Een biologische functie die bijdraagt aan overleving van een soort kun je niet een-op-een vertalen naar de oorzaak van gedrag. Laat staan dat die beslissing in het dna gebeiteld zit. Zulk genetisch reductionisme is als een wurgslang die langzaam maar zeker de ziel uit de biologie knijpt.”

Dat hem de schellen van de ogen vielen verklaart hij doordat hij voor zijn trekvogelonderzoek langdurig individuele vogels bestudeerde. „Met een klein team hebben we jaren achtereen de trek gevolgd van een lepelaarvrouwtje dat we Sinagote noemden. Als je het gedrag van zo’n vogel door en door leert kennen, dan kún je daarna niet meer terug naar dat mechanistische wereldbeeld.”

Lees ook

Romantische liefde voor een lepelaar

Goed onderzoek, benadrukt hij, kost tijd en staat haaks op de huidige hypernerveuze, kortademige samenleving. De Spinozapremie die hij in 2014 ontving kwam wat dat betreft „als manna uit de hemel”, want daarmee kon hij jarenlang grutto-onderzoek doen op de manier die híj wilde: niet genotype first, maar phenotype first. „Zo hebben we onder meer kunnen aantonen dat de vliegroute van grutto’s helemaal niet bepaald wordt door een genetische blauwdruk, zoals vaak werd beweerd.”

Enthousiast begint hij boeken uit de kast te trekken, feilloos weet hij elke gewenste titel te vinden. „Ken je het werk van de Amerikaanse filosoof Susan Oyama? The ontogeny of information. Een klassieker. Zij was veertig jaar geleden een van de eersten die dat starre naturenurture-denken durfden te doorbreken. „En hier, Evolution in four dimensions uit 2005″ – daarin beargumenteren biologen Eva Jablonka en Marion Lamb dat naast genetica ook epigenetica (dus het aan- en uitzetten van genen zonder dat het dna zelf verandert), gedrag en communicatie essentieel zijn voor overerving en adaptatie. „Standaardwerken voor elke bioloog, als je het mij vraagt, en toch worden ze nauwelijks gelezen door collega’s.”

In de vrijheid van denken ligt voor Piersma het zwaartepunt van zijn werk. Juist daarom moedigt hij zijn promovendi ook aan om hun eigen weg te kiezen, om risico’s te nemen. „Ik heb altijd mijn eigen koers gevaren, maar daar moet je wel de ruimte voor krijgen. Je hebt geborgenheid nodig om wild te durven denken. Die geborgenheid hebben het NIOZ op Texel en de Rijksuniversiteit Groningen geboden, maar er was ook een andere kant.” Herhaaldelijk spreekt hij zich tijdens het gesprek uit tegen de strenge mores van de universitaire ‘kerk’.

„Ik ben een groepsdier, ik werk graag met gelijkgestemden; daarvoor hoef je het niet eens met elkaar eens te zijn. Maar zulke gelijkgestemden kom ik niet per se bij de bètafaculteit tegen. Vaak voel ik me meer thuis bij menswetenschappers, bij filosofen, bij kunstenaars en muzikanten van buiten de academische wereld.” Hij noemt ze graag bij de naam: journalist Jantien Boer, die boeken schreef als Landschapspijn en Wondervogels – in dat laatste is Piersma zelf een van de hoofdpersonen. Sytze Pruiksma, met wie hij meerdere muzikale voorstellingen maakte. Zijn voormalige leermeester Leo Swarts, „de tachtig gepasseerd maar nog altijd veldwerk aan het doen in Afrika”. Roofvogelonderzoeker Rob Bijlsma – „heel eigenzinnig, heeft zich nooit aan ‘de kerk’ willen verbinden. Hun creatieve denkproces ligt heel erg in lijn met het mijne.”

Ik durf te beweren dat vrijwel álles in de dierenwereld cultuur is

Weer een boek erbij: The master and his emissary van neuroloog Iain McGilchrist, over het verschil tussen de linker- en de rechterhersenhelft. „Ratio en emotie. Als je alleen maar focust op links, op productiviteit en effectiviteit, valt de nuance weg. Het draait om verbindingen – tussen de hersenhelften, tussen mensen onderling.”

Om die reden richtte Piersma enkele jaren geleden binnen de Rijksuniversiteit Groningen het (in Leeuwarden gevestigde) centrum BirdEyes op, van waaruit wetenschappers samen met kunstenaars serieus vogeltrek bestuderen. „Ook weer zo’n tweedeling die de prullenbak in kan: kunst versus wetenschap.”

Tijd voor thee. Op weg naar de keuken passeren we Piersma’s partner, Petra de Goeij, verdiept in paperassen van Project Lepelaar, het langdurige lepelaaronderzoek dat nog altijd loopt – ook al is de oorspronkelijke protagonist, Sinagote, uiteindelijk op zestienjarige leeftijd overleden. De Goeij: „Dat is best oud. 60 procent van de lepelaars overleeft überhaupt het eerste levensjaar niet.”

Inmiddels vliegen Sinagotes soortgenoten met zenders naar het zuiden. Evenmin als bij grutto’s blijken genen doorslaggevend voor de trekroute die jonge lepelaars aanleren. Piersma: „Weet je waar we de duidelijkste correlatie tussen zien? Tussen het broedgebied van een volwassen vogel met wie een jonge lepelaar een eindje opvliegt. Als die oudere vogel op de Banc d’Arguin in Mauritanië overwintert, dan kun je er haast donder op zeggen dat die jonge dat ook gaat doen – en dan hoeven het dus geen familieleden te zijn van elkaar. Communicatie tussen vogels onderling, dáár ligt de sleutel. Gruttotaal, lepelaartaal. Biologen hebben de neiging weg te kijken van cultuur, omdat dat niet wetenschappelijk zou zijn. Je reinste onzin. Ik durf te beweren dat vrijwel álles in de dierenwereld cultuur is.”

Bezielde biologie, daar pleit Piersma voor. Maar dat vraagt ook een andere manier van denken, van werken. Of zoals hij het in een essay voor literair tijdschrift De Gids omschreef: „Het inzicht dat het vangen van wadvogels om te ringen en te zenderen slechts lukt als je je intens in hen inleeft, en de overtuiging dat wilde vogels pas enthousiast aan keuze of vliegproeven gaan meedoen als de onderzoeker een vertrouwensband met ze heeft opgebouwd, zijn nog niet beschreven in de methodensecties van de wetenschappelijke publicaties over dat onderzoek. We hebben de woorden er nog niet voor. En het gaat verder, veel verder. Als alles bezield is en, tussen en binnen soorten, relationeel is, dan moeten de huidige verklaringsmodellen voor individueel en groepsgedrag die gebaseerd zijn op dieren-als-machientjes wel tekortschieten.”

Niet dat hij tegen machientjes is, haast hij zich te zeggen, integendeel: de technologie heeft de biologie juist enorm vooruit geholpen, denk maar aan al dat zenderonderzoek. „Juist dankzij al die échte machines hebben we kunnen inzien dat de dieren zelf verre van voorgeprogrammeerd zijn.” Zo staat hij ook niet zonder meer negatief tegenover AI. „Je kunt het bijvoorbeeld inzetten om vliegroutes of gruttotaal mee te analyseren. Maar je moet wel weten hóé je het gebruikt. Het wordt gevaarlijk als je denkt dat AI bezieling is.”

Zijn hoop is dat de universiteiten zullen blijven inzetten op langetermijnonderzoek, dat er voor zijn wetenschappelijk leiderschap van BirdEyes een opvolger komt die ook oog heeft voor bezielde biologie. Maar zo’n wisseling van de wacht is altijd een kwetsbaar moment, als bij de rui van vogels. Wat als de universiteit anders beslist, wat als de leerstoel wordt wegbezuinigd, wat als alles draait om financieel gewin? „Bezieling komt niet voort uit boekhouden.”

Gierzwaluwen zijn adembenemend. Vrijwel álles doen ze in de lucht, tot en met paren aan toe

Nog een boek op de almaar groeiende stapel tussen ons in, over gierzwaluwen: The screaming sky, van de Britse dierenarts-filosoof-schrijver Charles Foster – ook bekend van Being a beast, waarin hij een jaar door het leven ging als das. „Gierzwaluwen zijn adembenemend. Vrijwel álles doen ze in de lucht, tot en met paren aan toe. Foster beschrijft in zijn boek een prachtige scène in Namibië, over gierzwaluwen boven een bosbrand die steeds weer de rook in duiken. Als bioloog vraag je je dan af: waarom doen gierzwaluwen dat? Om zich te ontdoen van vlooien en luizen? Maar Foster laat ook zien dat die waarom-vraag helemaal zo interessant niet is, omdat het antwoord vanuit biologenoptiek altijd hetzelfde is. Altijd weer draait het om survival of the fittest, omdat het succesvol zou zijn voor de evolutie.”

Piersma hekelt die – in zijn ogen – te nauwe blik. „Ook daarin zie je weer een onnodige tweedeling. Op de werkvloer zijn biologen materialistische reductionisten, maar eenmaal thuis houden ze zich opeens bezig met existentiële levensvragen en zien ze hun hond als een bezield gezinslid. Waarom kunnen die werelden niet in elkaar overvloeien?”

Met Foster is hij inmiddels goed bevriend; met de gierzwaluwen ook. „Petra en ik hebben op zolder een paar jaar terug speciale nestkasten laten installeren. Vorig jaar werd er voor het eerst door twee paartjes gebroed.” Via een webcam kunnen ze live meekijken hoe de eieren uitkomen. Want ja, alles doen gierzwaluwen in de lucht, behalve het grootbrengen van hun jongen. „Dan blijken ze opeens heel huiselijk.”

Hij knapt ervan op, van die nieuwe huisgenoten. Nu de huiszwaluwen zich steeds minder laten zien, nu de landschapspijn steeds sterker wordt, is het vooruitzicht dat die gierzwaluwen zich straks in mei weer laten zien een grote troost. „De natuur blijft in beweging. En dus kun je als bioloog niets anders dan meebewegen. Blijven kijken, blijven hopen.”

Foto Lars van den Brink
Lees het hele artikel