Op tafel liggen pakken vol met haar. Gekruld, steil, ‘wave’, zwart, asblond en zelfs een pakket met strengen in de kleur ‘ice blauw’. Het meeste is synthetisch, één lok haar is gemaakt van 100 procent ‘Vietnamese human hair‘. De twee vrouwen aan de overkant van de tafel – een woordvoerder van het RIVM en een toxicoloog van dat instituut in Bilthoven – kijken er onwennig naar. Er wordt aan gefrummeld, de summiere informatie wordt opgelezen.
We hebben het al langer over deze producten met elkaar. Eerder dit jaar bleek uit onderzoek van het Amerikaanse Silent Spring Institute dat er een waslijst aan dubieuze stoffen in dit soort haarextensies zit: weekmakers, pesticiden, oplosmiddelen, vlamvertragers en organotinverbindingen. Ook in Nederland worden haarproducten van precies dezelfde merken, en in dezelfde vormen en kleuren, veel verkocht.
Het onderzoek maakte de tongen los bij mensen in Nederland die met zulke haarextensies werken. Sommige ondernemers gooiden zelfs hun verdienmodel radicaal om: zij stopten met de verkoop en het invlechten van synthetisch haar. Hoe groot deze markt precies is, is niet bekend, maar toen het tv-programma Keuringsdienst van Waarde (KRO-NRCV) in 2023 een uitzending over de herkomst van extensies en pruiken van echt haar maakte, was die markt wereldwijd zo’n 10 miljard dollar waard.
De vraag is of de zorgen terecht zijn, of de producten die hier worden verkocht net zo schadelijk zijn als in de VS. De afgelopen maanden mailden we meermaals met het RIVM: is dit niet zorgwekkend? Waarom ligt er wel een advies over asbest in speelzand, maar zijn de haarextensies nog steeds niet onderzocht?
Toxicoloog Hester Hendriks begint nog net niet te zuchten, want bij het RIVM hebben ze het maar druk met dit soort vragen. Bisfenol A in koptelefoons, lithium in drinkwater, pfas in kinderregenjasjes, pesticiden in paprikapoeder, verboden eetlustremmers in afslankmiddelen. Bijna wekelijks koppen kranten over producten die we eten, dragen of smeren die schadelijke stoffen zouden bevatten. Regelmatig laten journalisten ook zélf producten testen op de aanwezigheid van giftige stoffen. En steeds na zo’n bericht staat de telefoon in Bilthoven roodgloeiend met journalisten, consumenten en politici die een professioneel oordeel willen: hoe gevaarlijk is dit volgens de deskundigen?


Schadelijke stof in koptelefoons
Zulke verzoeken krijgt het RIVM de laatste jaren steeds vaker, zegt Hendriks. Bij het instituut merken ze dat er misvattingen bestaan over hoe dat eigenlijk gaat, inschatten hoe gevaarlijk een product is. Nee, zegt toxicoloog Hendriks, niet ieder product waar een kankerverwekkende of hormoonverstorende stof in zit is gelijk aanleiding voor het RIVM om in actie te komen. En nee, de kelder van het instituut ligt niet vol met dubieuze koptelefoons, kruidenpotjes, gezichtscrème en haarextensies.
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) werd in 1909 in Utrecht opgericht als het Centraal Laboratorium ten behoeve van het Staatstoezicht, om zich bezig te houden met cholera, difterie, tyfus en andere ziekten. Vanaf 1919 werd ook de productie van vaccins hier ondergebracht, en in de loop der jaren groeide de portefeuille: bevolkingsonderzoek, geneesmiddelenonderzoek, radioactiviteit, milieuhygiëne, de hielprik, fijnstof, terreurbestrijding, Q-koorts, antibioticaresistentie, ebola, baarmoederhalskanker, pfas en veel meer. Het onderzoeksinstituut adviseert overheid en publiek bij crises (bijvoorbeeld tijdens de coronapandemie), coördineert preventieprogramma’s en beoordeelt – al vanaf die allereerste jaren – de risico’s van wat in Nederland op de markt verschijnt.
Beoordelen is niet hetzelfde als testen. Dat laatste doet het RIVM nauwelijks, maar gebeurt voornamelijk bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Daar gaan kleine monsters van producten door machines die vaststellen welke chemische stoffen erin zitten, en in welke hoeveelheid. Dat kan op veel manieren. Met chromatografie kunnen de componenten uit een mengsel van elkaar worden gescheiden door verdamping, zodat duidelijk wordt welke stoffen erin zitten. Met massaspectometrie worden stoffen geïdentificeerd aan de hand van de specifieke massa van de moleculen. En dan zijn er nog technieken om door middel van infrarood of ultraviolet moleculen te onderscheiden. Daarvoor worden licht- en elektronenmicroscopen ingezet.
„Als we eenmaal weten welke stoffen in een product zitten, gaan we bij het RIVM rekenen met alles wat we weten”, zegt Hendriks. „Wat ertoe doet is niet alleen of de stof schadelijk is, maar ook hoe en hoeveel we daaraan worden blootgesteld.” Neem de koptelefoons, waarin inderdaad de hormoonverstorende stof bisfenol A bleek te zitten. „Maar die stof zit vooral midden in die koptelefoon, in de omhulsels van elektradraadjes. Er is dus nauwelijks kans op huidcontact. En áls dat al zo is, is nog maar de vraag of bisfenol A door je huid heen gaat en in je bloedbaan terechtkomt.”
Lees ook
Ja, de stof BPA is schadelijk. Maar de verkoop van koptelefoons daarom stopzetten is overdreven, zeggen toxicologen
Hetzelfde geldt voor het asbest in speelzand: hoe spelen kinderen ermee? Gooien ze het door de lucht, steken ze het in hun mond, komt het op hun huid? Stuift het op en ademen de juffen en meesters het ook de hele dag in? En hoe groot is vervolgens de kans dat het asbest bij een kind in de longen terechtkomt en wel zoveel dat het kwaad kan?
Dat is nog maar het halve werk, want uit zo’n complexe berekening moet daarna een duidelijke boodschap rollen, een advies aan gebruikers. „Die communicatie is ingewikkeld en delicaat”, zegt Marah Michel, die verantwoordelijk is voor de communicatie naar de buitenwereld. „We hebben een complex wetenschappelijk verhaal te vertellen, over risico’s en kansen. Dat advies moet niet onterecht geruststellen, maar het moet ook geen onnodige paniek zaaien. Dat in begrijpelijke taal de buitenwereld in brengen valt nog niet mee. Er wordt naar ons gekeken, door ministeries, door de media, door consumenten. We worden als autoriteit gezien op dit gebied en die verantwoordelijkheid voelen we.”
Neem het voorbeeld van het asbest. In de meeste steekproeven van de NVWA bleek het gehalte asbestvezels in het speelzand laag, maar er waren ook uitschieters naar boven, waarin wel te veel asbest werd aangetroffen. Van de vijf categorieën die werden getest (half-klevend kinetisch zand, sterk klevend kinetisch zand, speeltjes gevuld met zand, zandbakzand en los decoratiezand) werden in die laatste categorie vier producten gevonden die boven het vastgestelde ‘maximaal toelaatbare risico’ (MTR, een vergelijking tussen de blootstelling van een kind met dit product en de gezondheidskundige waarden van de Gezondheidsraad) uitkwamen. Dat is berekend met een kind dat ‘gedurende dertien jaar regelmatig alleen met deze producten speelt’. „Wat doe je daarmee? En wat kun je met zekerheid zeggen over de producten die we níét hebben getest? Het blijft immers een steekproef”, zegt Michel. Het RIVM, vult Hendriks aan, neemt daarom een veilige marge in hun adviezen. „We gaan uit van de meest extreme gevallen, en als we dan nog weinig risico zien, dán is het veilig. Ja, er is een klein risico, maar dan moet je wel echt héél erg veel met dat zand hebben gespeeld.”
‘Machines draaien overuren’
Dan blijft nog steeds de vraag: waarom wordt het ene product wel getest na alarmerende berichten, en het andere niet? Waarom liggen de haarextensies bijvoorbeeld nog steeds onaangeroerd voor ons op tafel?
We bellen erover met de hoofdonderzoeker van het onderzoek van Silent Spring, scheikundige Elissia Franklin. Volgens haar is er, naar aanleiding van haar bevindingen, genoeg reden tot zorg, ook in Nederland. Zij toonde alleen aan welke stoffen er in de producten zitten en maakte geen risico-inschatting, maar ze ziet wel gevaren: het haar wordt dicht op de huid gedragen, in de nek en bij het gezicht. Chemicaliën kunnen door de huid worden opgenomen, komen uit het product als je het in warm water houdt (en waarschijnlijk dus ook bij douchen), en andere stoffen zoals vlamvertragers zijn vluchtig en in te ademen. Bovendien hoeft er niet op te staan wát er precies inzit, omdat haarextensies niet onder cosmetica vallen. Het is een gewoon consumentenproduct, waar geen ingrediëntenlijst op hoeft.
Foto Van Santen&BolleursBelangrijk voor Franklin is dat het gaat om een groep gebruikers, vrouwen van kleur, die toch al veel producten voorgeschoteld krijgen waar giftige stoffen in zitten (meer dan 80 procent van de producten die voor deze groep in de markt worden gezet, volgens een studie van Environmental Working Group). Relaxers, zonnebrandcrèmes, straighteners, moisturizers, bleekmiddelen, haargel, haarconditioners en crèmes, en mogelijk dus ook het haar. „Ik moet zo vaak uitleggen aan mensen waarom dit onderzoek belangrijk is”, zegt Franklin. „Hoe deze producten worden gebruikt, en door wie. En al die achtergrondcontext moet je er elke keer bij geven omdat het zo ver buiten de belevingswereld van veel academici ligt.”
Lees ook
Haarextensies zitten vol met gevaarlijke stoffen
„We zien continu dit soort onderzoeken voorbijkomen”, zegt Hendriks, wijzend op de resultaten van het Silent Spring Institute. Zo’n onderzoek is voor haar geen reden om gelijk in actie te komen. Er is ook domweg de mankracht en apparatuur niet voor, legt ze uit. „De analyseapparaten staan echt continu aan. Als iemand aanklopt met, hé kunnen jullie hier ook eens naar kijken, dan denk ik: tja, misschien wel, maar je moet echt achteraan aansluiten.”
Publieke onrust helpt. Signalen over asbest in speelzand circuleerden al langer in de wetenschap, na onderzoek in Australië en Finland. Volgens het RIVM was de NVWA naar aanleiding daarvan al bezig met het opzetten van een eigen onderzoek. Maar toen het Algemeen Dagblad zelf Nederlands speelzand liet testen, en daarover publiceerde met de alarmerende kop Dit is echt heel ernstig, ging het ineens snel. De NVWA is versneld gaan meten en het RIVM kreeg de opdracht om het risico van speelzand eens goed te bekijken.
Hadden NVWA en RIVM niet eerder het asbestzand moeten onderzoeken, na signalen uit meerdere onderzoeken? „Het AD kan veel sneller iets publiceren dan wij”, zegt Michel. „Een krant brengt alleen getallen naar buiten van metingen en zegt, kijk, er zit asbest in. Maar wat zegt dat?”
Nog zo’n voorbeeld: NRC liet de hoeveelheid pfas in eieren van hobbykippen meten, met als conclusie dat de waarden te hoog waren voor veilige consumptie. Michel: „Over dat onderzoek dachten wij destijds ook: hadden we dat niet eerder zelf moeten oppakken? Maar het is niet zo dat we die tijd niet hebben gebruikt.” Hendriks: „Als je een grote zak met geld erbij kon leggen zou je nog wel tienduizend dingen kunnen bedenken die je wilt onderzoeken.”
Bij de asbestkwestie was de urgentie helder, zegt Hendriks: het ging om een kankerverwekkende stof in speelgoed, het gaat om kinderen. Ze vindt het goed te legitimeren dat daar twee RIVM’ers fulltime op werden gezet, die vervolgens zes weken ook alleen maar aan dat dossier werkten. Het testen van de haarextensies die op tafel liggen zou volgens haar veel ingewikkelder zijn. Hendriks neemt ons mee door hoe zo’n test eruit zou zien. „Een stukje van het haar gaat in een oplosmiddel, zodat de stoffen waarop je wilt testen eruit loskomen. Dat verwerk je tot een monster dat in een apparaat kan voor analyse. Dat apparaat doet er soms een uur over om één zo’n meting te doen, om te testen op aanwezigheid van één potentieel gevaarlijke stof.”
Het Amerikaanse onderzoek geeft aanleiding om te vermoeden dat er tientallen verschillende giftige stoffen in de producten zitten. „Alleen al voor dat ene stukje haar moeten meerdere monsters worden genomen, om zeker te weten dat wat je vindt klopt. En dan is dat nog maar één kleur van een bepaalde soort haarextensie van één merk – die markt is zo veelzijdig als mensen zelf.”
‘Made in Bangladesh’
De haarextensies in kwestie worden voornamelijk gebruikt door vrouwen van kleur. Hoe lang en vaak worden ze gedragen, hoe dicht zitten ze op de hoofdhuid, hoe wordt het gewassen, en hoe zit het bijvoorbeeld met de mensen die dagelijks urenlang met de extensies in hun handen staan, om hun klanten in te vlechten? Het zijn vragen die niet eenvoudig te beantwoorden zijn, blijkt als we het voorleggen aan het RIVM.
„Er kunnen grote verschillen zijn in hoe en óf chemische stoffen worden opgenomen door het lichaam, en hoe die stoffen zich vervolgens in een lichaam gedragen”, licht Hendriks toe. Enzymen in het lichaam zetten chemische stoffen om in andere stoffen die minder of juist schadelijker kunnen zijn, en in verschillende populaties komen verschillende varianten daarop voor. „Genetische variatie, omgevingsfactoren, voeding, sociaal-economische omstandigheden, dat zijn allemaal factoren die meewegen. Als je een risicobeoordeling volledig wilt toespitsen op een bepaalde groep gebruikers, moet je met al die dingen rekening houden.”
Maar er is nóg een belangrijke reden dat de haarextensies nog niet zijn getest. Het gaat hier om een Amerikaans onderzoek, gedaan met alleen maar Amerikaanse producten. Hendriks draait de verpakkingen van de strengen haar een paar keer om, leest het etiket op de achterkant. Made in Senegal, staat op een. Made in Bangladesh, op de ander. Ze haalt haar schouders op. „Ja, als het van buiten de Europese Unie komt kun je er sowieso niet van uitgaan dat het aan onze veiligheidseisen voldoet.”
Alleen als je producten binnen de Europese Unie koopt, kun je erop vertrouwen dat ze voldoen aan Europese veiligheidsnormen, zegt Hendriks. Ze wijst op het Reach-protocol, Europese afspraken over de productie van en handel in chemische stoffen, bedoeld om de gezondheid van mensen en van het milieu te beschermen. Het gaat om stoffen die in de industrie worden gebruikt, maar ook in banken, kledingstukken, verf, schoonmaakmiddelen en sleutelhangers. Het protocol kent een enorme lijst met chemische stoffen die in meer of mindere mate als ‘zorgwekkend’ worden bestempeld en dus niet in Europese consumentenproducten mogen zitten.
„Een Europese verkoper heeft de verantwoordelijkheid om aan consumenten te garanderen dat producten veilig zijn. Maar koop je iets van buiten de EU, dan heb je die garantie niet”, zegt Hendriks. De NVWA doet steekproeven, maar dat dekt niet de kledingstukken, waterschoentjes, knutselspullen en gezichtscrèmes die met miljoenen tegelijk vanuit Chinese webshops in Nederland terechtkomen.
De ongemakkelijke conclusie die je daaruit kunt trekken: we weten dus eigenlijk niet zo goed hoe giftig of schadelijk de producten zijn die dagelijks Nederland binnenkomen. Dat beaamt Hendriks. Het is volgens haar een eigen keuze en dus eigen verantwoordelijkheid van kopers die bij webshops van buiten de EU iets bestellen.
Dat maakt zo’n haarproduct ook zo ingewikkeld: de vezels voor het synthetische haar, vaak de stof kanekalon, komen van het Japanse bedrijf Kaneka. Die vezels zijn op zichzelf al problematisch, want gemaakt van de mogelijk kankerverwekkende stoffen vinylchloride en acrylnitril. Ze worden meestal verwerkt in Senegal, Nigeria, Bangladesh of China, waar ze een kleur krijgen en behandeld worden met stoffen als vlamvertragers en waterafstotende stoffen – ook weer mogelijk giftig. En dan worden ze verkocht in (online) haarwinkels die niet of nauwelijks worden gecontroleerd – in elk geval kregen NVWA en RIVM nooit eerder vragen over deze producten, voordat NRC het voorlegde in februari dit jaar. Inmiddels zegt de NVWA dat er onderzoek gaat plaatsvinden, maar dat is nog niet ingepland.
Een overdaad aan Chinese webshops, PFAS in pannen en eieren, microplastics in theezakjes, en geen tijd en geld om het allemaal te testen. Wordt de wereld om ons heen, zonder dat we daarvoor gewaarschuwd worden, steeds giftiger? Nee, relativeert Hendriks. „Je moet het omdraaien: we weten en testen steeds meer. Het aantal alarmerende berichten in de media is ook een teken dat onze bewustwording juist groeit.” Hendriks gaat er niet van uit dat er dertig jaar geleden minder schadelijke stoffen gebruikt werken. „Vroeger speelden we met van alles waarvan we nu zeggen: dat kan écht niet meer. Waar speelde ik mee toen ik klein was en wat stak ik gewoon in m’n mond, toen we nog niets wisten van weekmakers en dergelijke?”
Hoe gaat ze daar zelf eigenlijk mee om, als toxicoloog? Kan Hendriks nog zorgeloos een gezellig stickervelletje kopen bij de Action? Ze lacht. „Ik sta wel de etiketten van alle zonnebrandflessen te lezen, ja. Jullie niet?” Onlangs kocht ze lijm voor haar kinderen. In sommige soorten zit methylisothiazolinone (MIT), om te voorkomen dat het gaat schimmelen. Als je daar te veel aan blootstaat, kun je er een allergie voor ontwikkelen. „Daar let ik wel op als ik in de winkel sta. En het speelzand heb ik thuis ook wel gelijk weggegooid.” Beroepsdeformatie, zegt ze. Het zou niet nodig moeten zijn. „Evengoed sta ik ook gewoon de plinten te kitten met blote handen hoor, terwijl dat wordt afgeraden.”
Foto Van Santen&Bolleurs





/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/02153157/030726ECO_2034305085_WEB_ILLU_Geboren-consument1_Tomas-Schats.jpg)

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/03172458/web-030726BIN_2034951268_quint.jpg)
English (US) ·