Een open dag voor datacenters, tegen datacenter-argwaan. ‘We willen worden gezien als een nutsvoorziening’

2 uren geleden 1

Nieuwsgierig houdt Edwin van den Boom uit Veghel (58) zijn hand voor de warme bries die uit de achterkant van een witte serverkast blaast. Hoe warm is dat nou, wil de bezoeker weten. „Boven de dertig graden”, zegt Raphic Rademaker (35), accountmanager bij IT-bedrijf e-Quest boven het gezoem uit.

Hij geeft een rondleiding door een witte zaal met zestig serverkasten. Ze staan op een bedrijventerrein in het Brabantse dorp Veghel. Bedrijven en overheidsinstellingen, „van Arnhem tot Maastricht”, slaan hier hun data op, die streng worden beveiligd – foto’s nemen van de kasten is verboden. Het ene bedrijf heeft een halve kast nodig, de andere wel vier. „Ze krijgen allemaal een druppel [sleutel] zodat ze fysiek bij hun data kunnen wanneer ze maar willen”, zegt Rademaker.

Datacenters zijn om allerlei redenen omstreden. Wereldwijd gebruiken ze inmiddels evenveel energie als heel Frankrijk doet, bleek vorige week uit cijfers van de Verenigde Naties. Bovendien nemen ze alsmaar meer ruimte in, mede door de haast onstilbare honger naar serverruimte van de grote Amerikaanse techbedrijven en hun veelverbruikende AI-modellen. Mede om het imago in Nederland op te krikken, hield de brancheorganisatie Dutch Data Center Association dinsdag de Nationale Datacenter Dag. Een tiental datacenters opende de deuren voor „buurtbewoners en IT-liefhebbers”.

De vestiging van e-Quest in Veghel is een van de deelnemers. Een bezoek is „dé kans om meer te leren over de digitale motor achter Nederland”, aldus de branchevereniging. „We proberen het stigma van datacenters af te krijgen”, licht Rademaker toe. Hij verwijst naar een spreekwoordelijke „buurvrouw, die iets hoort pruttelen” en trekt de vergelijking met de Amerikaanse hyperscales waartegen vaak wordt geprotesteerd. In de keuken van zijn bedrijf hangt een slinger feestvlaggetjes, in een groentekrat liggen snoeptomaatjes, op een A4’tje staat dat personeel voor een euro tosti’s kan krijgen.

Het échte kunstwerk

De toegenomen publieke aandacht voor dataopslag noemt Rademaker „heel positief”. Met het kabinetsbesluit om de overname van cloudbedrijf Solvinity te blokkeren en zo te voorkomen dat DigiD in Amerikaanse handen valt, is hij „heel gelukkig”. „We moeten onze digitale controle terugkrijgen, Europa probeert nu als een malle eigen cloudplatformen te realiseren.”

Maar goed, benadrukt Rademaker, „kleine datacenters” zijn „heel anders” dan de hyperscales die nu zo onder vuur liggen. „Wij willen vooral voorzien in een behoefte van deze regio.” Een ‘eigen’ zonnepark in Helmond, een halfuurtje verderop, waar het tweede datacenter van e-Quest is gevestigd, levert naar eigen zeggen 70 procent van de energie die het bedrijf nodig heeft.

De hele dag geeft Rademaker enthousiast rondleidingen langs de servers. „Het echte kunstwerk vind ik niet niet die witte kasten, maar het volledige back-up systeem voor alle techniek, de redundantie, in de bedrading aan het plafond”, zegt hij. Hij toont de brandblustank gevuld met stikstof, want „wij blussen natuurlijk niet met water”, en de airco’s op het dak van de zwarte blokkendoos.

e-Quest datacenter in Veghel dinsdag tijdens de open dag. Het bedrijf bezit ook een zonnepark, waardoor het voor 70 procent energie-onafhankelijk is.

Foto Merlin Daleman

Voor de rondleiding om drie uur ’s middags hebben zich vier mensen ingeschreven, maar alleen Edwin van den Boom komt opdagen. Hij runt een reclamebureau elders op het industriepark, op vrijdagmiddag borrelen zijn medewerkers weleens met die van e-Quest. Zijn eerste keer in een datacenter was in Helmond. Van die servers, de warmte en het geluid was Van den Boom destijds „flabbergasted” geweest. Nu komt hij zijn indrukken „even opfrissen”.

Datacenters, zegt de reclameman, „Je kunt niet meer zonder”. In een vergaderzaaltje – op tafel staan mini-stroopwafels, spritsen en krakelingen – vertelt Van den Boom dat zijn reclamebureau „binnen een halfuur is uitgespeeld” als een hack of stroomstoring het treft. Ook zijn bedrijf komt er „in de nabije toekomst niet meer onderuit” om externe serverruimte te huren. Van den Boom neemt een mini-stroopwafel en zegt: „Met de komst van AI zijn bijna al onze reclame-opdrachten video’s geworden, die bestanden zijn veel zwaarder om op te slaan dan tekeningen.”

Rademaker luistert. Dan zegt hij: „IT vormt inmiddels zo’n integraal onderdeel van de maatschappij, dat datacenters essentieel zijn, vooral als het om back-up-systemen gaat. Wij hoeven ook niet zo nodig op te vallen, we willen vooral worden beschouwd als een nutsvoorziening, een die blijft werken als alles uitvalt.”

Waarom heb je de lokale krant niet uitgenodigd?

Maar ook weer niet een ‘nutsvoorziening’, waar sceptische buren erg welkom zijn voor een rondleiding. Die zouden niet persoonlijk worden uitgenodigd. „Dat is niet zo nodig”, zegt Rademaker.

„Waarom heb je de lokale krant niet uitgenodigd?”, oppert Van den Boom aan het einde van de rondleiding, op de parkeerplaats. „We hebben uitnodigingen gestuurd naar de bedrijven om ons heen”, zegt Rademaker. Alle bezoekers eerder op de dag waren van zulke bedrijven. „Uiteindelijk is het voor ons vooral van belang dat de bedrijven langskomen die interesse in datacenters hebben. Dat je met een bak koffie bijpraat binnen het ecosysteem van deze kleine markt.”

Lees ook

Het AI-verbond tussen Big Tech en Trump wordt een electorale achilleshiel voor zijn partij

Posters die de betrouwbaarheid van Big Tech bevragen op een muur in San Francisco. Foto Getty Images
Lees het hele artikel