Ik moet de laatste tijd vaak aan mijn vader denken. Als ik op de pont over het IJ sta en de Graansilo aan me voorbij trekt – dertig jaar geleden een kraakpand waar hij atelier hield, nu een woontoren met luxeappartementen. Als ik Annie M.G. Schmidts Otje voorlees aan mijn dochter. Otjes vader Tos heeft geen papieren en woont in z’n bestelbus. Uit razernij over zijn situatie trekt hij een ambtenaar over het loket van het stadhuis.
Ook mijn vader had geen papieren, althans niet de juiste. Als ik Tweede Kamerleden hoor praten over de strafbaarstelling van illegaliteit voelt het alsof ze het postuum over hem hebben. Als ik lees dat het nieuwe kabinet de asielwetten van voormaligmigratieminister Faber (PVV) wil doorzetten, vraag ik me af of de huidige bewindspersonen wel eens naar iemand zonder de juiste papieren hebben geluisterd.
Zoals veel mensen die op jonge leeftijd een ouder verliezen – mijn vader overleed toen ik zestien was – ben ik op zoek geweest naar wie hij was. Ik sprak met vrienden en familie, die tal van anekdotes over zijn kleurrijke leven deelden. Ik organiseerde een tentoonstelling met schilderijen en strips van zijn hand in Istanbul. Ik kwam veel over hem te weten, maar er bleef één puzzelstuk over. Hoe kreeg hij eigenlijk ooit een Nederlands paspoort?
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/24115310/WEE_2026096481_Tan-7.jpg)
De postidentiteitskaart, waarmee Mehmet in ondertrouw ging in Amsterdam.
PrivéarchiefHet huwelijk van mijn ouders had er iets mee te maken. Er was ook iets met een postidentiteitskaart, een soort officieus identiteitsbewijs waarmee je bankzaken op het postkantoor kon regelen. En uiteindelijk is hij genaturaliseerd. Maar hoe dat precies is gegaan weet ik niet. Nu wil ik begrijpen hoe dit zijn leven, maar ook mijn kijk op de Nederlandse samenleving en haar omgang met mensen met wortels elders, heeft gevormd.
Tekenaar van Duitse westerns
Mijn vader Mehmet groeide op in Istanbul, als zoon van een ongeschoolde dorpsvrouw en een horeca-uitbater met een slechte dronk en tirannieke trekjes. Als kind verdiende hij zijn geld op straat met de verkoop van kranten en citroenen, later ging hij er portretten tekenen en verkopen. Als zestienjarige reisde hij in z’n eentje naar West-Europa. Toen kon dat nog zonder ellenlange en voor velen onbetaalbare visumaanvragen. Toen zijn paspoort gestolen werd, keerde hij na een jaar berooid terug naar Turkije.
Rond de militaire coup van 1980 kwam hij als twintiger voor de tweede keer naar West-Europa. Als tekenaar van een linkse krant was hij niet veilig voor het repressieve bewind van legerleider Kenan Evren. Eerst ging hij naar Duitsland, waar hij werkte als tekenaar van Duitse westerns; een paar jaar later belandde hij in Nederland. Hij wortelde hier, werkte als illustrator en had een brede sociale kring in het links-intellectuele milieu uit Turkije en de Amsterdamse kraakbeweging.
Al snel ontmoette hij mijn moeder, die Nederlandse taallessen gaf bij het Steuncomité Onderwijs Buitenlanders. Ze besloten te trouwen, maar dat bleek zonder geldig paspoort nog niet zo eenvoudig. Pas na veel aandringen en stemverheffingen hadden ze een ambtenaar in Amsterdam gevonden die hen met de postidentiteitskaart in ondertrouw wilde laten gaan. Maar, vertelde hij er direct bij, ze moesten niet denken dat ze daarmee ook echt zouden kunnen trouwen.
Dat was buiten Hanneke Jagersma gerekend, de burgemeester van het Oost-Groningse dorpje Beerta. Mijn tante had in de krant gelezen over de enige communistische burgemeester van Nederland, die de reputatie had op te komen voor mensen in de marge. Zij wilde het huwelijk wel voltrekken. „Ik keek er heel nuchter tegenaan. Als je in ondertrouw bent, kan je ook trouwen”, vertelt ze als ik haar meer dan veertig jaar na dato spreek. „De Oost-Groningse mentaliteit was er ook een van: laten we toch niet zo moeilijk doen.”


De ringen en de handtekeningen in de burgemeesterskamer in Beerta
Foto’s PrivéarchiefBruiloft en petit comité
Waar zou mijn vader aan gedacht hebben toen hij in het najaar van 1984 met mijn moeder op de achterbank van een kleine Citroën vanuit Amsterdam naar de huwelijksvoltrekking in Oost-Groningen reed? Een weids, leeg landschap met hier en daar een boerderij gleed voorbij. Het contrast met zijn glooiende, bruisende geboortestad kon haast niet groter. In de auto zaten ook mijn opa, oma en tante: twee getuigen en een fotograaf. Andere potentiële bruiloftsgasten hadden geen vervoer. Het werd noodgedwongen een bruiloft en petit comité.
Mijn ouders hadden bloemen meegenomen voor de burgemeester. Er werd shag gerookt op haar werkkamer en na de ringen, de handtekeningen en een aardig praatje van de burgemeester in het Nederlands én het Turks was de plechtigheid alweer achter de rug. Mijn vader had een zwart giletje met geleende stropdas aangetrokken. Op de foto’s valt de blijdschap van de gezichten van alle aanwezigen af te lezen.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/24115303/WEE_2026096481_Tan-5.jpg)
Hanneke Jagersma, de communistische burgemeester van Beerta, bij de bruiloft in 1984.
Foto PrivéarchiefMijn opa weet nog hoe zijn kersverse schoonzoon bij het roken van een volgende sigaret op de parkeerplaats zijn opluchting deelde. „Nu kan ik eindelijk weer hardop spreken”, zei mijn vader tegen hem. Zonder geldig paspoort had hij altijd over zijn schouder moeten kijken. Als je eruitzag zoals mijn vader – bruine huid, afro-kapsel – kon je ook toen zomaar staande gehouden worden door de politie. Hij had, zoals een vriend dat verwoordde, jarenlang in de kraag van zijn regenjas moeten leven. Vooral niet te luid, niet te zichtbaar.
Hij had, zoals een vriend dat verwoordde, jarenlang in de kraag van zijn regenjas moeten leven. Vooral niet te luid, niet te zichtbaar
Dat is voor ieder mens tegennatuurlijk, maar zeker voor een sociale, extraverte persoon als mijn vader. Ik herinner me hem als iemand die in een wandeling van een half uur op straat met vijf willekeurige voorbijgangers een gesprek aanknoopte en ook nog twee vrienden tegenkwam.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/24115429/WEE_2026096481_Tan-12.jpg)
Het trouwboekje.
Foto PrivéarchiefMaar als mijn vader dacht dat de onzekerheid na de bruiloft voorbij was, kwam hij bedrogen uit. Er braken jaren van leven in de wachtstand aan. Een aanvraag voor een verblijfsvergunning werd na een jaar afgewezen. Reden: het zou om een schijnhuwelijk gaan. Die bureaucratische verdenking komt niet overeen met de verhalen die ik ken van vrienden en familieleden. Zij vertellen over een verliefd stel dat net een huis had gekocht in Amsterdam-West. Mijn vader had het in turquoise-blauwe tinten geverfd. Op foto’s in mijn familiealbum zie ik twee jonge, levenslustige mensen in de bloei van hun leven.
Ontmenselijkende polderbureaucratie
De uit Irak gevluchte schrijver Rodaan Al Galidi laat in Hoe ik talent voor het leven kreeg zien hoe alle betrokkenen, van wachtenden tot uitvoerders, afgestompt raken door de ontmenselijkende procedures van het rond migranten opgetuigde systeem. Met droge omschrijvingen kenschetst hij de polderbureaucratie van de IND die hem negen jaar het gevoel gaf alsof hij in een „gesloten kelder” vastzat.
Ook mijn vader werd onderworpen aan de regels van de bureaucratie. Of je uit die kelder kunt ontsnappen heb je niet zelf in de hand, realiseer ik me als ik het verhaal van m’n vader uitpluis. Als je op de verkeerde plek geboren bent en daar weg wilt of moet, heb je pech. Met de steeds hogere en gewelddadigere muren van Fort Europa wordt die pech steeds onontkoombaarder. De risico’s worden bovendien steeds groter voor degenen die hun lot in eigen hand willen nemen. Duizenden mensen vinden jaarlijks de dood op de Middellandse Zee en andere migratieroutes op zoek naar een veilig heenkomen.
De Nederlandse bureaucratie vond de relatie tussen mijn ouders niet duurzaam en mijn vader niet van toegevoegde waarde voor de Nederlandse maatschappij. Wanneer ben je van toegevoegde waarde voor een maatschappij? En hoe bewijs je dat je wel een romantische relatie hebt? Met bonnetjes en correspondentie, zo blijkt uit het IND-dossier van mijn vader. Een bevriende vreemdelingenadvocaat raadt me aan dat op te vragen. Als ik via de gemeente het sofinummer van m’n vader heb achterhaald, kan het dossier vanuit een depot in Emmen worden overgebracht naar het Nationaal Archief in Den Haag.
Op een regenachtige vrijdagochtend kan ik het inzien. Het eerste document in de zware ordner is een proces-verbaal van de Vreemdelingenpolitie. Op het gestencilde papier staat dat mijn vader vanuit Duitsland via de A12 „illegaal” naar Nederland is gekomen. Hij had gehoord dat de mensen hier wat „minder vormelijk” zijn dan in Duitsland, schrijft de verbalisant. Dat zal niet het woord zijn dat m’n vader heeft gebruikt, maar de formulering tovert een glimlach op mijn gezicht.
Kaartjes van Texel en uit Istanbul
Het dossier blijkt een goudmijntje en ik besluit m’n moeder mee te vragen naar het archief. Haar mond valt open als ze ziet wat er bewaard is gebleven: ansichtkaarten van m’n Nederlandse en Turkse tantes, die mijn ouders schrijven vanaf respectievelijk hun vakantieadres op Texel en uit hun woonplaats Istanbul. Die moeten bewijzen dat m’n ouders als stel samenwoonden. Ook de salarisstrookjes van mijn moeders werk als verpleegster in het ziekenhuis, om aan te tonen dat ze wel in hun onderhoud konden voorzien, tot advocatenbrieven en ambtelijke notities en brieven van haar vader zitten in het dossier.
Als dominee was mijn opa goed thuis in gereformeerde kringen. Hij had kort na de Tweede Wereldoorlog in de stevig verzuilde maatschappij gestudeerd aan de VU, waar zijn broer een bekende bioloog was. In de jaren tachtig hadden hun studievrienden invloedrijke posities verworven, onder meer in het landsbestuur. Mijn opa kon de directeur-generaal van het ministerie van Justitie met ‘amice’ aanschrijven, want die had hij nog ontgroend, vertelt hij me in het verzorgingstehuis. Hij probeerde z’n contacten met een beroep op hun humaniteit voor zijn geliefde schoonzoon in te zetten.
Maar heeft medemenselijkheid wel een rol in de grote bureaucratische machine? In mijn omgeving hebben veel geprivilegieerde vrienden en collega’s er nooit over hoeven nadenken of ‘het systeem’ wel voor hen werkt. Maar als je een vader hebt die door het systeem werd buitengehouden vanwege het ontbreken van een geldig paspoort, kijk je daar toch heel anders tegenaan.
Schipholbrand
Wanneer ik voor een reportage voor de Amsterdamse straatkrant Z! afgelopen oktober een herdenking van de Schipholbrand bijwoon, weten alle aanwezigen hoe systemen mensen kunnen vermalen. Of beter: hoe de bureaucratie is ingericht om mensen te vermalen als ze niet over de juiste papieren beschikken. Bij een nachtelijke brand in een cellencomplex in Schiphol-Oost, waar mensen vastzaten in afwachting van hun deportatie, vonden in 2005 elf mensen de dood. Ze verbrandden levend.
Op de herdenking spreek ik met Momar Sakho, de zoon van ‘Papa’ Sakho, die per toeval ontkwam aan de brand in de gevangenis. De uit Senegal afkomstige Sakho bleef leven, omdat hij de avond voor de brand van cel had geruild met een Surinaamse medegevangene. Alle betrokkenen zijn getraumatiseerd voor het leven, maar fatsoenlijke nazorg is er niet. De overheid ondernam wel juridische stappen tegen een van de gedetineerden die ze de schuld van de brand in de schoenen wilde schuiven. Hij werd in hoger beroep vrijgesproken van brandstichting. Een onafhankelijk onderzoek toonde aan dat de overheid zelf nalatig is geweest.
Ik kende het verhaal niet; de bureaucratische reflex schokt me. Momars verhaal over zijn vader – een goedlachse kunstenaar die veel op straat te vinden was en altijd voor iedereen klaar stond – doet me sterk aan m’n eigen vader denken. Met een andere speling van het lot had hij net zo goed in zo’n detentiecentrum als Momars vader kunnen belanden.
Met een andere speling van het lot had hij net zo goed in zo’n detentiecentrum als Momars vader kunnen belanden
Ik denk aan de overlevenden van de Schipholbrand en mijn vader als ik lees over de voortschrijdende militarisering van de Europese grenzen en nieuwe deportatieplannen van de Europese Unie. Het is een voetnoot in het migratiedebat, zoals de door vreemdelingenhaat ingegeven gesprekken over migranten(kinderen) met de ‘verkeerde’ huidskleur en religie zijn gaan heten. Antimigratiesentiment is voor politici een voorspelbare electorale marketingtruc geworden om stemmen te trekken.
‘Multinationale maatschappij’
In een kwetsbare positie ben je afhankelijk van mensen die je willen helpen. Door mijn vaders IND-dossier bladerend ontroert het me dat zoveel mensen de moeite hebben genomen dat te doen. Naast brieven van familieleden en contacten van mijn opa, schrijft ook de voorzitter van de Nederlandse Illustratoren Club. Hij noemt mijn vader een aanwinst voor de „multinationale maatschappij”. Iedereen schetst het beeld van een integere, hardwerkende persoon, die een leven wil opbouwen op de plek waar hij toevallig geland is.
Maar dat telt niet, als je zomaar een landsgrens over bent gestoken zonder dat te melden. Voor bureaucraten tellen andere argumenten. Dan heet het dat m’n vader „niet beschikt over middelen van bestaan in de Vreemdelingenwet”, of dat er met zijn verblijf „geen wezenlijk Nederlands belang wordt gediend”.
De bureaucratie hecht aan papieren, niet aan mensen. Zoals Bertolt Brecht een van zijn personages in Gesprekken tussen vluchtelingen ironisch laat zeggen: „Het nobelste deel van een mens is zijn paspoort. Een paspoort ontstaat ook niet zomaar, niet zo kinderlijk eenvoudig als een mens. Een mens kan overal ontstaan, totaal onbezonnen en zonder logische reden, een paspoort niet. Daar krijgt-ie dan ook, als het een goede is, erkenning voor, terwijl een mens nog zo goed kan zijn maar toch niet wordt erkend.”
In het IND-dossier schrijven de ambtenaren dat m’n vader alleen een verblijfsvergunning kan krijgen als hij een paspoort kan overleggen. Maar dat is nu juist het probleem. Van het Turkse consulaat krijgt hij geen medewerking. Hij krijg alleen een paspoort als hij een verblijfsvergunning heeft, zo wordt hem keer op keer verteld. En die wil het ministerie van Justitie hem niet geven vanwege het „restrictieve vreemdelingenbeleid”. Zijn advocaat noemt het in een brief „een cirkelredenering en een patstelling” die doorbroken dient te worden. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan.
Het Turkse paspoort van m’n vader is verlopen, en omdat hij zijn dienstplicht niet in het leger van de junta wil vervullen, krijgt hij hier geen nieuw document. Na lang aandringen kan hij wel een laissez-passer krijgen, een tijdelijk document om naar Turkije te reizen. Maar teruggaan naar Turkije betekent regelrecht de val inlopen. Er zou hem in het gunstigste geval de dienstplicht wachten, en mogelijk de gevangenis of erger. De hoofdredacteur van de krant waar hij voor werkte is enkele jaren eerder vermoord en andere redactieleden zitten gevangen onder het militaire regime.
Lees ook
Waarom het ene paspoort meer waard is dan het andere: ‘Het voelt oneerlijk dat de plek waar je geboren bent, bepaalt of je met open armen ontvangen wordt’
Ambtenaren schrijven echter doodleuk dat hij maar naar Turkije moet gaan om daar z’n dienstplicht te vervullen en een paspoort aan te vragen. Als in 1987 – mijn moeder is hoogzwanger van mij – ook een herzieningsverzoek door het ministerie wordt afgewezen, rest alleen nog de gang naar de Raad van State. Een uitzetting, „verwijdering” in ambtelijke taal, wordt opgeschort zolang het beroep loopt. Maar ook de hoogste bestuursrechter beslist in augustus 1989, bijna vijf jaar na het huwelijk in Beerta, in het nadeel van m’n vader. Hij moet het land uit.
Waarom denken zovelen die het geografische geluk hebben hier geboren te zijn, anderen die iets van hun leven willen maken dat te kunnen ontzeggen? Ik vraag me af hoe mijn eigen leven gelopen zou zijn als mijn vader inderdaad gedeporteerd was. Waren mijn moeder en ik hem gevolgd? Was ik ruim twee decennia later ook journalist geworden, met een bovenmatige interesse in persvrijheid? Zou ik dezelfde gevoeligheid hebben ontwikkeld voor onverdraagzaamheid jegens mensen met een ‘ongewenste’ afkomst?


Het ongeldige Turkse paspoort met een glas wijn op de keukentafel in Amsterdam.
Foto Mehmet TunaliVoorrangsbehandeling
Onverwacht komt kort na de uitspraak van de Raad van State toch iets in beweging. Het ministerie krijgt veel post over de zaak van mijn vader. Mijn opa schrijft de verantwoordelijk staatssecretaris, CDA’er Virginie Korte-van Hemel. Hij kent haar uit Bussum, waar hij pastoraal werk doet in het ziekenhuis en de staatssecretaris woonachtig is. Hij schrijft over de „radeloosheid” van alle betrokkenen en over hoe „martelend” de jaren van onzekerheid en wachten en de nu dreigende uitzetting zijn geweest.
Mijn moeder schrijft op haar typmachine een brief aan koningin Beatrix. Op wanhopige toon vertrouwt ze de vorstin toe wat voor wissel de permanente onzekerheid op haar gezin heeft getrokken. „Toen we pas getrouwd waren lachte Mehmet vaak in zijn slaap, nu nooit meer”, schrijft ze. Ze doet een beroep op het moederhart van de koningin. „Straks verdwijnt zijn vader, ik kan het niet verdragen.” Die zin komt binnen, als ik hem lees in het Nationaal Archief.
Het ministerie ontvangt meer post. Wilhelm Friedrich De Gaay Fortman, oud-rector-magnificus van de VU en voormalig minister en vicepremier, schrijft de verantwoordelijke staatssecretaris op persoonlijke titel na contact met mijn opa. In de brief doet hij een dringend beroep om m’n vader niet uit te zetten. De interventie lijkt effect te hebben. Een naturalisatieverzoek, dat parallel aan de zaak bij de Raad van State liep, blijkt de gewenste reddingsboei.
‘Voorrangsbehandeling’, staat er in blokletters op een rode insteekmap in het dossier. Er zit een stapel ambtelijke briefjes in. Hoge ambtenaren die zich eerst nog afwijzend hebben opgesteld, gaan in de maand na de uitspraak van de Raad van State overstag. ‘Staat al op concept KB [Koninklijk Besluit]. Even nog langs Ruud [Lubbers, de toenmalig premier]’, valt op een briefje te lezen. Ruud, wiens tweede kabinet net gevallen was, accordeerde. Mijn moeder herinnert zich hoe Hilbrand Nawijn, de latere LPF-minister en destijds directeur van de afdeling Toelating en Verblijf van het ministerie, haar hoogstpersoonlijk opbelde, vroeg of ze De Gaay Fortman kende. Toen ze bevestigend antwoordde zei hij dat het in orde was.
Op 7 december 1989, ondertekent koningin Beatrix het Koninklijk Besluit, waarmee mijn vader een Nederlands paspoort krijgt. „Wij Beatrix, bij de gratie gods, koningin der nederlanden, prinses van oranje-nassau enz. enz. enz.” staat bovenaan het A4’tje. De handtekening van de koningin staat eronder. Jammer dat ik er geen kopietje van mag maken. 24 mensen, onder wie ook in Nederland geboren Molukkers, een Kaapverdiaan en een Israëliër, krijgen met de krabbel de Nederlandse nationaliteit.
Nieuwe achternaam
Mijn vader krijgt er nog iets bij. Bij geboorte heette hij Tunalı, met een i zonder puntje, spreek uit ‘Tunale’. Omdat we die letter in Nederland niet kennen zal zijn „geslachtsnaam” voortaan Tunali zijn. En niet Tumali, Tuanli of een van de andere verbasteringen die ik in het dossier tegenkom. Daarom noem ik mezelf vandaag de dag soms Tunale en soms Tunali, afhankelijk van wie ik tegenover me heb en hoeveel zin ik heb om uitleg over mijn achternaam te verschaffen.
Lees ook
Ook vreemde namen moeten juist in de krant
Op een koude winterdag mag m’n vader z’n paspoort ophalen bij het stadhuis in Amsterdam. Om het te vieren proosten m’n ouders daarna met grote glazen bier in De Bijenkorf. Ik geniet in de kinderwagen als net tweejarige peuter van het uitzicht op de Dam. Mijn vader mag blijven, met paspoort, en een puntje op de i.
Een paspoort is slechts een papieren boekje. Wie het juiste boekje bezit, hoeft er geen acht op te slaan. Maar wie er geen of het verkeerde boekje heeft, wordt erdoor gedefinieerd, wist Brecht. Dan kan je zomaar levend verbranden, weten de nabestaanden van de Schipholbrandslachtoffers. Eindeloze bureaucratische procedures worden gebruikt om mensen in een limbo te laten leven, ze ‘af te schrikken’. Alsof het mensonterende migratiebeleid met gevangenissen en push- en driftbacks aan de rand van de EU dat niet al voldoende zou doen. Als beleidsmakers mensen met het verkeerde boekje buiten de deur willen houden, blijft dat levens verwoesten en gezinnen uiteendrijven.
Mijn vader had geluk en kwam met hulp van vriendjespolitiek goed weg. Met zijn Nederlandse paspoort kon hij zijn ouders en zussen in Istanbul weer bezoeken. En hij kon er de wereld mee over reizen, een privilege waar hij veelvuldig gebruik van zou maken. De kraag van de regenjas kon naar beneden, maar mijn vader raakte verbitterd, over de gebrekkige gastvrijheid in Nederland, het weer en de onontkoombare racistische ondertoon van het sociaal verkeer hier. Mijn moeder ziet jarenlange bureaucratische stress als de reden waarom het huwelijk is stukgelopen. Kort nadat m’n vader zijn paspoort kreeg, gingen ze uit elkaar.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/24115404/WEE_2026096481_Tan-10.jpg)
Mehmet in een restaurant, op de avond van de bruiloft.
Foto Privéarchief

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/25162534/270326OND_2032569941_2.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/29184947/260326BIN_2032529417_almere03.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/27122806/290326SPO_2032574529_2.jpg)

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/24203830/260326SPO_2032176429_1.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/26191933/260326VER_2032615490_GRok.jpg)

/https://content.production.cdn.art19.com/images/85/95/93/03/85959303-a68c-4530-8dee-70e29ffe5298/60caaf5cdfc3ea12c71e8153768582528ee83ec9e21a2c5f5a45c8ab9ab53d06c071e8abc5cac5b2bef812fafedc1f03ecce7955ee2bf8a910f8dbf5140e9898.jpeg)
English (US) ·