Is dit een parodie? De nieuwe roman van Herman Koch heeft geen ironische uitgang

16 uren geleden 1

De werkelijkheid is altijd vreemder dan fictie, luidt de gevleugelde uitspraak. Maar wanneer de werkelijkheid steeds vreemder, belachelijker en ongeloofwaardiger wordt, schuift de fictie dan mee op? Moeten we wat voorheen onredelijk en ongeloofwaardig was dan accepteren als iets wat nu eenmaal bij de nieuwe realiteit hoort? Die vragen roept de nieuwe roman van Herman Koch (1953) op, De overbodigen.

De beginscène: er zitten vier mensen, twee echtparen, rond een dinertafel. Ze bespreken een onverkwikkelijk voorval, iets waar ze mee in de problemen kunnen komen, maar waar ze niet voor willen opdraaien.

Serieus? Daar gaan we weer? Of is dit een parodie? Want dit in Herman Kochs oeuvre o zo bekend voorkomende tafereel doet zich ditmaal voor als een soort amateurtoneel. De stemming aan de tafel is „bedrukt”, schrijft Koch. Er worden onhandige pogingen tot toenadering gedaan met handen en armen, de ene echtgenote huilt al „stilletjes”, de ogen van de andere vrouw zijn „vochtig”. Er wordt omzichtig gesproken. Dat het „in de eerste plaats zelfverdediging was”, zegt Herbert, dat „wat we hebben gedaan”, zoals Martin het opzichtig omzichtig noemt. „We hebben gedaan wat we moesten doen. We hadden geen keus”, aldus Herbert, duidelijk de meest harteloze van het stel. „Maar”, zegt Alicia, „moest het echt zó?” En dan gaat het melodrama voluit: „‘Het waren kinderen, Herbert!’ riep ze plotseling uit. ‘Kinderen!’”

Er zijn doden gevallen. Tijdens hun (keurige) wandelvakantie in Engeland, in de (nota bene zo gezapige) Cotswolds zijn de echtparen (met de oerdegelijke namen Herbert en Yvonne, en Martin en Alicia) in een schermutseling beland met locals, met dodelijke afloop. Oei. Maar het dinerende viertal besluit dat het de verdiende loon van deze „doorgesnoven” figuren was. Als beroemd bioloog weet Herbert immers: „Een hond die op je afstormt, moet je nooit de rug toekeren. Dat is simpelweg biologie. Wie op de vlucht slaat, wordt de prooi.” Hij heeft, kortom, gehandeld om erger te voorkomen. Na het voorval hebben ze hun wandeling hervat.

Maar wat nu? „Alicia zei snikkend dat ze naar huis wilde”, schrijft Koch. Dat kan niet, aldus Herbert: gecancelde hotelboekingen zouden hen juist verdacht maken. Ze moeten door.

De grootste klootzak

Waar het ontlopen van de schuld in Het diner nog een uitdagende vraag was met een confronterend immoreel antwoord, is het hier vooral een logistieke kwestie: hoe verdoezelen we de sporen die naar ons leiden? Dat gaat lachwekkend lullig. Er blijkt een knoop van een jas afgesprongen, vermoedelijk op de plek des onheils („‘O, hemel,’ zei Alicia”), dus gaan de twee mannen de volgende dag terug. Maar dan duikt plots een wilde hond op, die de aanval opent op de angstige Martin („het zwakste exemplaar van de kudde”, weet bioloog Herbert) en hem in zijn arm bijt („‘Godverdomme!’ zei Martin. ‘Die kuthond heeft mijn halve arm kapotgebeten!’”). Maar met die wond kunnen ze natuurlijk niet naar een arts… – en zo flauw gaat het door.

Tussendoor leren we Herbert kennen, misschien wel de grootste klootzak uit Kochs oeuvre, en dat wil wat zeggen. Koch blinkt uit in geniepige klootzakken, net-niet-alfamannetjes die steeds weer wegkomen met hun rotstreken. Niet dankzij hun dommekracht maar dankzij hun doortraptheid, hun ongrijpbare slimmigheid. Ergens dwingen ze bewondering af.

Zo lijkt ook De overbodigen te beginnen. In de voor Koch zo gebruikelijke terzijdes horen we Herbert bijvoorbeeld mopperen over de „lamzak” die het vriendje van zijn volwassen dochter Marianne is (ook de zoon van Alicia en Martin), en fantaseren hoe hij ervoor kan zorgen dat Marianne hem inruilt voor diens jongere broertje. Een rotstreek? Welnee, dat is gewoon zoals het gaat, vindt Herbert. Hij bekeek haar vriendjes trouwens altijd al „zoals hij de duiven op het balkon bezag die daar een nest aan het bouwen waren – vroeg of laat, maar in elk geval voordat er eieren op komst waren, zou hij het nest met een bezem verwijderen en in de vuilniszak stoppen”.

Lees ook

Nu Herman Koch ongeneeslijk ziek is, is kwetsbaarheid geen vies woord meer

Schrijver Herman Koch in 2020. Foto Merlijn Doomernik

Een veelzeggende vergelijking. Herbert ziet de mens als een dier, een onbehouwen wild dier. Zijn mensbeeld is geënt op het ‘recht van de sterkste’ dat in de natuur geldt, althans: in dat deel van de natuur dat in Herberts straatje past, waar het er vechtlustig en concurrerend aan toegaat. Eten of gegeten worden. Het is nogal ongeloofwaardig dat Herbert daarmee een wereldwijd vooraanstaand bioloog is geworden, maar de premisse is in principe interessant: Herbert is zo een Koch-klootzak met een update naar de tijd van de manosphere. Die wordt immers bevolkt door types die zich op dit soort bedenkelijke, eenzijdige biologie beroepen. In dat wereldbeeld is moraal iets voor losers; moeilijke vragen, daar stapt de sterkste overheen. Omdat hij dat kan.

Waar Het diner schokte omdat er na een roman lang wikken en wegen tóch immoreel met verantwoordelijkheid en schuld werd omgesprongen, daar mikt De overbodigen erop om te choqueren door de immoraliteit tot het uiterste door te voeren. Ik zal de afloop niet spoilen, maar de roman kent wendingen die het uiterste van je incasseringsvermogen vergen. Ik vroeg me meermaals af: is dit serieus? Gebeurt dit echt? Gaat het werkelijk zo achterlijk simpel? Deze stap moet redelijkerwijs toch consequenties krijgen? Of is dit weer eens cynisch bedoeld?

Moraal in trumpiaanse tijden

Vragen over geloofwaardigheid zijn ingewikkelde vragen, nu er van alles in de wereld gebeurt dat we niet voor mogelijk hielden, of het nu gaat om idiote-maar-reële importheffingen, om een bijna-invasie van Groenland of om een paramilitaire Amerikaanse anti-immigrantenpolitie. Is De overbodigen dan misschien toch een zinnig en waardevol boek, omdat de roman toont hoe de moraal in trumpiaanse tijden buitenspel staat? Omdat dit een verwerking-in-romanvorm is van het weerzinwekkende, onredelijke recht van de sterkste? Omdat het met ongeloofwaardige plotwendingen en in kinderachtige, dommige taal laat zien dat je ver kunt komen als je kinderachtig en dom bent, omdat de wereld ook kinderachtig en dom is?

De kluchtige wendingen, zoals de ontknoping die Kochs vorige roman Luchtplaats (2024) nog dodelijk flauw maakte, hebben dan nu een reden. Waar de spectaculaire ontsporing van Het Koninklijk Huis (2022) nog als een lekkere grap voelde, lijkt het dan nu serieus bedoeld. In elk geval lijkt deze roman geen ironische nooduitgang te hebben.

Misschien wil Koch waarschuwen, door dit mensbeeld te tonen, dat zo onontkoombaar cynisch is? Dat doet De overbodigen dan wel met een reeks ongeloofwaardigheden en flauwiteiten die al even onontkoombaar cynisch is, en waaraan je je rot ergert. De harteloze hoofdpersoon hoeft voor een roman geen bezwaar te zijn; de manier waarop zijn verhaal verteld wordt, is dat wel. En dat is aan De overbodigen pas echt trumpiaans. Namelijk: het is een ronduit belachelijk verhaal, dat geen moeite doet om nog redelijk te zijn, maar dat we toch voor waar moeten aannemen.

Je kunt dat ook niet doen. Je kunt dat afwijzen en in verzet komen: we willen niet dat de wereld zo werkt. We weigeren hierin mee te gaan en te zwichten voor cynisme, voor dat idee van een domme wereld, met belachelijke verhalen. Wij blijven wel redelijk nadenken en eisen dat iedereen dat doet.

De journalistieke principes van NRC
Lees het hele artikel