Met de techniek van een tafeltennisser sleept veldgidsschrijver Berend Aukema zijn net over de wantsenrijkste plek van Nederland

3 dagen geleden 4

De wants heeft een imagoprobleem. Of nu ja, dé wants – alleen al in Nederland komen er 682 verschillende soorten van het insect voor. Dat maakt het des te wranger dat die ene usual suspect altijd weer de show steelt in de media: de bedwants. „Terwijl die in Nederland niet algemeen voorkomt”, vertelt wantsenexpert Berend Aukema (1949). „Ik ben in mijn hele loopbaan maar twee keer geraadpleegd in verband met een bedwantsenplaag, beide keren in studentenhuizen.”

En ja, dan was er een dikke tien jaar geleden nog een kleine mediahype rondom de berkenwants, die toen in zulke grote aantallen op campings voorkwam dat hij daar voor stankoverlast zorgde – hij zou te sterk naar ranzige boter ruiken. „Ze stinken, ze zijn gevaarlijk en ze zuigen bloed. Dat is de heersende opinie.”

Aan Aukema de taak om die misverstanden uit de wereld te helpen. Want ja, er komen wel afweerstoffen uit die geurklieren… „Maar stinken zou ik het over het algemeen niet noemen. Bovendien: ze moeten ook niet al te lekker ruiken, want ze moeten er hun vijanden mee op afstand houden. Ze hebben, buiten afschrikwekkende geuren en kleuren, eigenlijk bar weinig om zichzelf mee te verdedigen.”

En gevaarlijk? Ja, als je een argeloze mier bent wil je geen roofwants – assassin bug, in het Engels – tegenkomen, want die zuigt je zonder mededogen uit. „Maar de mens heeft niets te vrezen.” Bloed zuigen, dat doet alleen een kleine minderheid, en dan nog uitsluitend bij een selecte groep slachtoffers. „In Nederland heb je de zwaluwbedwants, de vleermuisbedwants… Die namen zeggen het al. Vroeger had je ook nog de duivenbedwants, maar die is helaas vakkundig uitgeroeid door duivenmelkers.”

De Veldgids Wantsen van Berend Aukema en fotograaf Theodoor Heijerman.

Foto Dieuwertje Bravenboer

Helaas ja, want elke wantsensoort heeft iets unieks, in de ogen van Aukema. Neem de kenmerkende halfdoorschijnende ‘voorvleugels’ – die zijn bij bijvoorbeeld de bijvoetnetwants zo ragfijn geaderd dat het „net Brussels kant” is. Of kijk naar de veranderende kleuren van de graswants: dor bruin in het najaar, frisgroen in het voorjaar, om als langgerekte spriet tussen het gras vooral maar niet op te vallen. Naar de grootkopboloogwants, zeer geliefd bij tuinders omdat hij kan worden ingezet voor biologische bestrijding: „Aan die grote, bolle ogen zie je dat het een echte rover is: hij speurt er zijn prooien mee op.” En dan is er nog de steltwants, met z’n verrassend hoge poten – een van de geportretteerden in de lijvige Veldgids wantsen die Aukema recent met fotograaf Theodoor Heijerman uitbracht.

Hij pakt de gids van tafel, in zijn Bennekomse woonkamer. 640 pagina’s telt de gids, met tot de verbeelding sprekende soorten als de sombere dartelwants en de blindwants (die wel kan zien, alleen geen schaduw). „En met die harde kaft niet echt licht voor in het veld, nee. Maar we wilden ook aan de determinatietabel ruim voldoende illustraties toevoegen, want soms zijn de verschillen tussen soorten maar heel klein.”

Alle 223 soorten in de gids behoren tot de Pentatomomorpha, een groep bestaande uit schorswantsen, bodemwantsen, vuurwantsen, randwantsen, schildwantsen en hun verwante families. „Je hebt ook nog allerlei andere landwantsen, en dan óók nog oeverwantsen en waterwantsen, de schaatsenrijders, maar die hebben we hier buiten beschouwing gelaten. Anders zou de gids niet meer te hanteren zijn.” Lichtelijk verrast: „De eerste druk was al heel snel uitverkocht.” Ondanks hun negatieve imago van het bredere publiek zijn wantsen de laatste tien jaar wél onder de aandacht gekomen van natuurliefhebbers op website waarneming.nl, benadrukt Aukema. „Alleen al vorig jaar kwamen daar 220.000 waarnemingen van wantsen binnen. Er zijn zelfs wantsentwitchers, die speciaal naar locaties met zeldzame wantsen gaan om foto’s te scoren. Een soort postzegelverzamelen, noem ik dat. Met wantsendeterminatie heeft het weinig te maken.”

Ook mijn vrouw zou het prettig vinden als ik iets minder tijd aan de wantsen besteed

In Zuid-Limburg zit een wantsenwerkgroep met wie hij goed contact heeft, maar verder zijn echte wantsenkenners zeldzaam. En dat terwijl hij, op zijn 76ste, steeds sterker begint te verlangen naar een opvolger. „Ook mijn vrouw zou het prettig vinden als ik iets minder tijd aan de wantsen besteed. Op onze vakanties gaan we altijd wel wantsen kijken, maar ik heb haar moeten beloven hierna niet nóg een boek uit te brengen. Al ga ik die belofte nu toch weer breken, nu de eerste veldgids zo’n succes blijkt. Want er zijn nog honderden soorten buiten de boot gevallen omdat we ons alleen op de Pentatomomorpha hebben gefocust.”

Al op zijn elfde vindt Aukema zelf zijn eerste wants, op pad met zijn vader – een vlinderkenner – en diens vriend Jan Woudstra. „Jan was echt mijn leermeester. Hij is er nu een jaar of dertig niet meer, en ik mis hem nog altijd. Het liefst zou ik hem bij een bijzondere vondst meteen bellen.” Die vondsten zijn er door zijn loopbaan zo nu en dan geweest, erkent hij bescheiden. Zo was hij in 1973, dus nog tijdens Woudstra’s leven, de ontdekking van de eerste bijvoetnetwants – die van de doorschijnende, netvormige vleugels. En recent nog trof hij in Zeeland de diksprietglasvleugelwants Strictopleurus crassicornis aan, een soort die in de veldgids nog als een ‘te verwachten’ wenssoort staat. „In België kwam-ie al voor.” In tegenstelling tot wetenschappelijke namen, waar internationale regels voor zijn, mag iedereen zelf een Nederlandse naam verzinnen.

Boven, in zijn werkkamer, staat één wand vol wantsenboeken en één wand met een ladekast. Elke lade daarin bevat tientallen zelf opgeprikte wantsen, netjes voorzien van een label. Ze zijn gerangschikt op verwantschap en op herkomst: Hongarije, de Azoren, Tenerife. Er hangt in de kamer een vage kamfergeur – „dat is tegen vraat door stofluizen en de larven van de museumkever”.

Foto’s Dieuwertje Bravenboer

Nog een snelle blik op het apparaat waarmee hij wantsen, indien nodig, kan verwarmen en gedeeltelijk oplossen in melkzuur („sommige soorten kun je alleen van elkaar onderscheiden op basis van hun genitaliën, en dan is het echt nodig om ze open te peuren”) en op de oorkonde van de Uyttenboogaart-Eliasenprijs dat hij in 2023 kreeg toegekend. Een oeuvreprijs voor entomologen. „Dat voelde wel echt als erkenning van de wants.”

En dan is het tijd om naar de meest wantsenrijke vierkante kilometer van heel Nederland te gaan, als je het afmeet aan het aantal waargenomen soorten. „In één jaar hebben we op de Wageningse Berg zo’n honderdtwintig verschillende soorten gezien.” Dat is ten dele te danken aan de biologische roggeakker ter plekke, waar het barst van de kruiden en daarmee ook van de wantsen. Want verreweg de meeste soorten zijn dol op planten: ze zuigen sap uit de bladeren, de zaden of de stengels – niet voor niets behoren wantsen met hun stekende, zuigende monddelen net als cicaden en bladluizen tot de snavelinsecten.

Met zijn loep om z’n hals en zijn vangnet en witte ronde klopscherm paraat stapt Aukema tussen de kruiden door. „In het scherm kun je je net legen, of je kunt het onder de boom houden en dan zien wat er na een paar keer flink schudden naar beneden valt. Vroeger gebruikten we er een omgekeerde witte paraplu voor, maar dit oogt wat professioneler.” Soepel beweegt hij het vangnet in een soort horizontale acht langs de klaprozen, korenbloemen en kamille. „Eens kijken wat de oogst is.”

Dan kan het voorkomen dat je een nymfe van de ossentong­graafwants verwart met een kleinere versie van de vergeetmijnietjes­graafwants

Een koolschildwants, een knoopkruidschildwants („die kwam vroeger alleen in Limburg voor”) en de meest algemene van allemaal, de groene schildwants, die in vrijwel heel Nederland te vinden is. Stuk voor stuk hebben ze een breed, plat schild op hun rug. „Daaraan kun je wantsen vaak ook van kevers onderscheiden: ze zijn wat platter.” Niet voor niets worden ze in het Frans ook punaises genoemd.

Nog een rondje met het net. „Wil je het ook eens proberen?”, vraagt Aukema. Het blijkt moeilijker dan gedacht: niets gevangen. Hij doet het nog eens voor. „Laag door de vegetatie, genoeg kracht zetten. Niet aaien maar slepen!” Zelf sluit hij niet uit dat hij dankzij zijn ándere hobby, tafeltennissen, extra efficiënte polsbewegingen heeft leren maken. „Het is een win-winsituatie: de techniek van het tafeltennissen komt me in het veld te pas en vice versa.”

En dan: drie zwarte bolletjes in het net. Kevers? Nee, een uitzondering op de regel: de ossentonggraafwants. Genoemd naar de paarse bloemen die hier ook volop groeien. „Die moet wel robuust zijn, met sterke poten, want die graaft zich na het larvestadium een weg vanuit de bodem naar de oppervlakte, om te vervellen en te paren.”

Wat herkenning voor een leek extra lastig maakt is dat elke wants vier of vijf nimfenstadia doorloopt alvorens het uiteindelijke uiterlijk te bereiken. „In die fases hebben ze nog niet of nauwelijks vleugels, en ze zijn een stukje kleiner. Dan kan het bijvoorbeeld voorkomen dat je een nimf van de ossentonggraafwants verwart met een kleinere versie van de vergeetmijnietjesgraafwants.” En dan zijn er soms ook nog verschillen tussen de geslachten, bijvoorbeeld als een vrouwtjeswants kortere vleugels heeft dan een mannetje. „Niet dat ze daar last van hoeven hebben, als het om verspreiding van hun nageslacht aankomt – er zijn soorten bekend die hun eieren afzetten op zaadpluis, dat vervolgens meewaait met de wind.”

Aukema haalt nóg een onmisbaar hulpmiddel tevoorschijn: een exhauster, een potje met twee rietjes waarmee hij „het kleine spul” kan opzuigen om er vervolgens met zijn loep beter naar te kijken. Het ene rietje stopt hij in zijn mond, het andere plaatst hij boven zijn doelwit en hóp, zelfs een volwassen ossentonggraafwants laat zich zonder problemen opzuigen. Maar algauw krijgt hij zijn vrijheid terug. „Ik neem ze alleen mee naar huis als het echt nodig is voor determinatie.”

Berend Aukema zuigt een wants op met een exhauster.

Foto Dieuwertje Bravenboer

Als het boven de 20 graden Celsius is dan gaan ze vliegen

Het gaat goed met de wantsen, constateert Aukema tevreden. „Je hoort over insecten allemaal nare verhalen, maar wantsen nemen alleen maar toe in aantal. De afgelopen dertig jaar zijn er zo’n drie soorten per jaar bijgekomen, en dat is echt niet alleen maar omdat mensen beter zijn gaan kijken.” Waardoor komt het dan wél?

Lachend: „Zodra het goed gaat met een soort, lijkt niemand zich die vraag nog te stellen. Een deel van de verklaring zal erin zitten dat ze goed tegen warmte kunnen.” En inderdaad: tussen de klaprozen begint het aardig op te warmen, maar het lijkt te wantsen niet te deren. Integendeel; ze worden steeds actiever. „Als het boven de 20 graden Celsius is dan gaan ze vliegen en kunnen ze zich met behulp van luchtstromingen zelfs over langere afstanden verplaatsen. Heb je een paar van die dagen achter elkaar, dan kan een wants gemakkelijk vanuit Zuid-Limburg hierheen vliegen. Zo is waarschijnlijk ook de maretakwants hier beland, die in het arboretum hier vlakbij op de maretakken huist.” Bijkomend voordeel is dat nog niet alle ecologische niches door wantsen lijken te zijn opgevuld. „We hebben ook een invasieve exoot, de bladpootrandwants, die in coniferen voorkomt. Normaal gaan die exoten ten koste van andere soorten, maar niet bij de wantsen. Blijkbaar was er in de coniferen nog een plekje vrij voor een nieuwe soort.”

Wie wantsen kijkt hoeft zich nooit te vervelen, benadrukt Aukema – ook zonder een boek te schrijven ben je er zo jaarrond zoet mee. „In de herfst vind je ze tussen de afgevallen bladeren op de bodem, en zelfs in de winter kun je van schimmel levende schorswantsen aantreffen op bomen met tonderzwammen.” Ver hoef je er als hobbyist sowieso niet voor te reizen. „Als je op een warme dag geen zin hebt om eropuit te trekken, dan kun je een wit laken en een lamp ophangen in je achtertuin. Dan vliegen ze met wat geluk zo je tuin in.”

Foto Dieuwertje Bravenboer
Lees het hele artikel