Plagiaat in zijn proefschrift en leugens over zijn levensloop braken Jason Arday op. Hij raakte in opspraak bij de universiteit van Cambridge en werd het mikpunt van onthullingen en beschuldigingen, aangejaagd door de omstreden Amerikaanse „rassenrealist” Nathan Cofnas (die meent dat er een verband is tussen ras en intelligentie) en diens medestanders. Het leidde tot een loeiende mediastorm (249 artikelen in drie weken), die ermee eindigde dat Arday op vrijdag 14 augustus dood werd aangetroffen in zijn woning.
Maar behalve over zijn plagiaat gingen conservatieve activisten op tv en sociale media ook los over zijn héle wetenschappelijke werk en aanpak. Dat zou, doordrenkt van dubieuze methodes en postmodern idioom, symbool staan voor de verloedering van de sociale wetenschappen. Arday schreef onder meer ‘auto-etnografie’, een benadering die inzichten opdoet uit de eigen ‘geleefde ervaring’.
Zo is het Verenigd Koninkrijk beland in een ideologische controverse met raciale trekken over wetenschapsbeoefening die tot nu toe vooral in de VS woedde. In het bijzonder gaat het om diversiteitsbeleid – het aantrekken van studenten en docenten van kleur – en ‘inhoudelijk’ om de methodiek van postkoloniale studies en andere disciplines die witte dominantie in samenleving én wetenschap aan de orde stellen.
Arday was het ideale mikpunt voor dat offensief. Niet alleen door zijn optredens in de media, maar ook omdat hij werkte op een terrein, de sociologie, dat zeker in de Angelsaksische wereld een sterk kwantitatief en statistisch karakter heeft. Zijn werk kwam dichter in de buurt bij tijdgeestgevoelige, popculturele studies die in de VS bestsellers zijn. Zo schreef hij een boek over racisme en muziek (Cool Britannia and Multi-Ethnic Britain: Uncorking the Champagne Supernova, 2020), over de miskenning van zwarte geschiedenis in het Britse onderwijs (The Black Curriculum, 2020) en over neurodiversiteit, met coauteur Chantelle Lewis (We See Things They’ll Never See: Love, Hope and Neurodiversity, 2025). Daarnaast redigeerde hij met anderen twee academische bundels over ongelijkheid in het Britse onderwijs.
Aan de andere kant bezweren progressieve sympathisanten van Arday dat het drama nog niets zegt over de sociologie als geheel, of over racismestudies. Zij wijzen op tal van schandalen rond frauderende witte academici die nog niet een fractie van de storm veroorzaken die over Arday raasde. Dat Academia door diversiteitsbeleid in de greep zou zijn van dit type onderzoek is, houden zij vol, een mythe: universiteiten laten zich graag voorstaan op hun diversiteit, maar van de hoogleraren in het Verenigd Koninkrijk is niet meer dan 1 procent zwart, van de 6.180 stafleden van Cambridge precies 75. Intussen is het idioom van postkolonialisme en kritiek op het ‘witte’ of ‘westerse’ denken wel een onderdeel geworden van de humanities in met name Amerikaanse en Britse elite-universiteiten.
Status van objectiviteit
Dat heeft een lange voorgeschiedenis. In de jaren negentig waren de VS het toonbeeld van science wars over de status en objectiviteit van wetenschap en kennis. In die controverse op opiniepagina’s en in boeken stonden ‘ouderwetse’ positivisten tegenover wat zij ‘postmodernisten’ noemden, sociale wetenschappers die onder invloed van Franse filosofen als Bruno Latour en Jacques Derrida het historisch en sociaal ‘gesitueerde’ karakter van academische ‘kennisproductie’ benadrukten. De perspectieven van gemarginaliseerde groepen zouden zo worden weggedrukt of niet voor vol aangezien – een vorm van ‘epistemisch onrecht’, het negeren of onderwaarderen van andere, niet-dominante manieren van kennis of ervaring.
Een voorloper van die ideologiekritische wetenschap bood vanaf de jaren zestig de ‘Kritische Theorie’ van de Frankfurter Schule, met het invloedrijke werk van Habermas, Adorno en andere Duitse filosofen en sociologen. Zij combineerden Marx, Hegel en Freud in een kritiek op de liberaal-kapitalistische samenleving. Uiteraard zien anti-woke ideologen de bron van alle kwaad in de doorwrochte, hermetische geschriften van deze ‘cultuurmarxisten’ (een term die de Frankfurters niet voor zichzelf gebruikten maar die nu dient als verdachtmaking en scheldwoord).
Gaandeweg is die strijd opgenomen in bredere culture wars tussen links en rechts op allerlei fronten – met telkens als inzet de vraag in welke mate kennis, op welk terrein dan ook, universeel en objectief is of juist gebonden aan cultureel bepaalde kaders en perspectieven. Berucht werd de Sokal-hoax in 1996, toen de fysicus Alan Sokal een artikel vol abstracte wartaal (de ‘hermeneutiek van kwantumfysica’) geplaatst wist te krijgen in het progressieve tijdschrift Social Text – een ‘grap’ die door conservatieve publicisten nog altijd wordt uitgebaat als een bewijs van postmoderne incompetentie.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/08/18095116/200826WET_2035852065_Ardayprotest2.jpg)
Op Trafalgar Square in Londen werd afgelopen maandag een wake gehouden voor Jason Arday.
Foto Carlos Jasso/AFPDe Black Lives Matter-beweging gaf vanaf 2013 een nieuwe impuls aan kritische wetenschap over structureel racisme en ongelijkheid in de VS, aangeduid als critical race theory. Het leverde superster-academici op als Ibram X. Kendi, die een indrukwekkende en bekroonde geschiedenis schreef van anti-zwart racisme in de VS (Stamped Fom the Beginning, 2016) maar landelijk doorbrak met de populaire ‘handleiding’ How to Be an Anti-Racist, 2019) waarin hij de lezer twee opties voorhield: je bent een antiracist óf een racist. Dat paste bij de tijdgeest: neutraliteit bestaat niet. Kendi werd benoemd tot directeur van een nieuw Centrum voor Antiracisme Studies aan Boston University (het centrum, dat maar weinig werk afleverde, is inmiddels gesloten).
Ook de backlash nam toe tegen wat rechtse opiniemakers verwerpen als grievance studies, universitaire studies die alleen oog zouden hebben voor zwarte bladzijden in de geschiedenis. In het boek Cynical Theories (2020) trekken publiciste Helen Pluckrose en wiskundige James Lindsay van leer tegen alles wat riekt naar zulke ‘activistische’ wetenschap, van postkoloniale studies tot vierdegolffeminisme en queer studies. De kritiek is hetzelfde als eerder: niet empirisch genoeg, te veel abstract jargon, te subjectief, te veel vanuit ‘beleving’. Vooral humaniora als de antropologie krijgen er daarbij van langs, recentelijk nog in een rapport van Amerikaanse filosofen dat op zijn beurt fel is bekritiseerd.
En: steeds openlijker worden zwarte academici het doelwit. Kendi werd al gehekeld als een bedrieger, maar pas echt effect kreeg de campagne met het vertrek van Claudine Gay, de eerste zwarte bestuurder van Harvard University. Haar positie werd onhoudbaar na beschuldigingen, net als in het geval-Arday ingestoken door een antidiversiteitsactivist, over plagiaat in haar werk. Dat betrof veel minder substantieels dan bij Arday, maar het was genoeg om haar ten val te brengen.
Voet aan de grond
Met het aantreden van Trump in 2025 heeft die afkeer van ‘linkse’ wetenschap een officieel stempel gekregen. De federale overheid wil DEI (diversiteit, gelijkheid en inclusie) uitbannen en financiering stopzetten van academisch onderzoek naar ras of ongelijkheid, gebrandmerkt als ‘onpatriottisch’. Progressieve Britse academici vrezen dat met de affaire-Arday dit door een machtige overheid en media gesteunde offensief ook vaste voet aan de grond krijgt in het Verenigd Koninkrijk. The Guardian roept pleitbezorgers van diversiteitsbeleid op de rug recht te houden, want met één spectaculaire uitwas is dat beleid nog niet afgeschreven, meent de krant. Dat geldt ook voor racismestudies of andere vakgebieden.
Een einde aan de strijd over wetenschap – en institutionele macht – lijkt niet in zicht en is ook niet te verwachten. Daarvoor zijn de intellectuele en politieke verschillen te groot. De kritische verbreding van de humaniora heeft veel relevant onderzoek opgeleverd, maar is ook altijd onder vuur genomen door critici van ‘postmodern relativisme’. Een invloedrijk Nederlands voorbeeld is het werk van de antropologe Gloria Wekker, die in Witte onschuld (2020) mede aan de hand van ‘vignetten’ uit haar eigen leven blinde vlekken blootlegde in de Nederlandse samenleving. Haar werk is internationaal geprezen, maar trok kritiek uit conservatieve hoek als te subjectief, niet-verifieerbaar of vooral literair-metaforisch van karakter (zoals in het „cultureel archief” waaruit Nederlanders onbewust zouden putten).
Het verschil tussen de eis om harde, kwantitatieve bewijzen en het ‘van binnenuit begrijpen’ van sociale verschijnselen raakt in de verte zelfs aan de two cultures die C.P. Snow al in 1959 signaleerde: die van de exacte wetenschap – te esoterisch voor de meeste mensen – en die van de humanities – die andere, vaak toegankelijker methodes kennen. Snow betreurde het onbegrip tussen de twee en pleitte voor toenadering.
De culture wars, nu weer op volle toeren door de kwestie-Arday, laten zien dat die er niet is gekomen, integendeel. Maar er speelt ook iets heel anders, dat niets te maken heeft met opvattingen over woke of niet-woke wetenschap – en dat is de locatie. Cambridge, een van de twee iconische Engelse universiteiten, heeft nog steeds een wereldwijd aura van academische heiligheid en exclusiviteit. Als Ardays plagiaat was onthuld toen hij nog hoogleraar was aan de Universiteit van Glasgow, was het ook nieuws geweest maar zeker niet van deze omvang, schrijft de politicoloog David Runciman, oud-hoogleraar aan Cambridge, in The New Statesman.

Een wake voor Jason Arday, afgelopen maandag in Londen.
Foto Carlos Jasso/AFP
Het gebouw van Jesus College in Cambrigde, waar Jason Arday aan verbonden was.
Foto Brook Mitchell/AFPMaar is dat prestigieuze Cambridge nog wel de oude? Runciman wijst op de aardverschuiving die zich aan de universiteit heeft voltrokken. De disciplines waar het Arday-drama zich afspeelde zijn een sideshow geworden aan een instelling die financieel en inhoudelijk drijft op heel andere vakgebieden: technologie en biowetenschappen. Met moderne, nieuwe centra en campussen zijn die de motor van de universiteit, ver weg van de oude gebouwen waar de toeristen een glimp van oude glorie proberen op te vangen. Er zijn in feite drie versies van Cambridge, aldus Runciman: het technologische in het noorden en westen van de stad, biowetenschappen in het zuiden, en de oudere gedeeltes ergens verloren in het midden.
Dat heeft gevolgen voor de status en het zelfvertrouwen van met name de oude humaniora. De tijd van C.P. Snow, toen geletterde mensen uit die vakken hun neus ophaalden voor nerds uit de exacte wetenschappen die geen benul hadden van Shakespeare, is voorbij. Het is nu precies omgekeerd: de nerds hebben de toekomst, de humaniora moeten hun best doen om het hoofd boven water te houden.
Geen wonder, aldus Runciman, dat ze gaan stunten met alles wat maatschappelijk de aandacht trekt – zoals de benoeming van een aimabele, mediagenieke maar ondergekwalificeerde zwarte hoogleraar. Intussen wordt het onderwijs verzorgd door junioren die – zoals Runciman zelf ondervond als hoofd van de afdeling politieke wetenschappen – geen boodschap hebben aan de missive dat ze hun politieke opvattingen buiten de collegezaal moeten houden. Waarom zouden ze, onderbetaald en ondergewaardeerd als ze zijn?
Runcimans conclusie is mistroostig. Nu ze in zo’n deplorabele staat verkeren, zit er voor de humaniora aan Cambridge maar één ding op, denkt hij soms: je groter, stoerder en hipper voordoen dan je bent. Zo bezien is het hele drama, inclusief de maatschappelijke opwinding erover, eerder een teken van academische marginalisering – en van de behoefte aan nieuwe helden.
Enter Jason Arday.
Foto Justine Gerardy/AFP

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/08/23213718/230826VER_2036133659_FeyenoordCambuur.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/08/21103803/240826OPI_2036100418_westbank.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/08/23195047/230826VER_2036132608_Guinea.jpg)

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/08/06090734/210826WEE_2035635366_WEB_HEADER_ILLU_Floor-Rusman-7_Referentiekaders_Kwennie-Cheng.jpg)


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/08/19093534/210826BIN_2035762612_Summermaxxing-WEB.jpg)
English (US) ·