Op de grens van leven en dood liepen de 116 vrouwen van Westerbork naar onbekende bestemming

1 uur geleden 1

In Grijpskerk was dit lange tijd het verhaal dat de dorpelingen kenden: in 1945, in de nadagen van de oorlog en vlak voor Groningen bevrijd zou worden door de Canadezen, was daar opeens die grote groep vrouwen. Met kortgeknipte haren en in blauwe katoenen overalls. Witte banden om hun armen met een rood nummer erop, géén naam.

Een groot deel van hen zou een week op de boerderij van de familie Cleveringa verblijven. „Logeren”, zo omschreef de vader van beeldhouwer Gert Sennema het. Die had de vrouwen nog gezien, vertelt hij. Op een groepsfoto staan ze lachend voor de boerderij. Prins Bernhard, bevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten, in hun midden.

Maar het verhaal áchter hun komst in Grijpskerk bleef lange tijd onderbelicht, in elk geval onbesproken, ook door de vrouwen zelf. Verzwakt, doodmoe en hongerig waren ze daar aangekomen, de jongste 17 jaar, de oudste 72. Drie nachten hadden ze gelopen vanuit Kamp Westerbork, daartoe gedwongen door Oostenrijkse Wehrmacht-soldaten. Ze zaten gevangen wegens (vermeende) verzetsdaden of omdat hun vaders, broers of geliefden in het verzet zaten.

Nu is er de documentaire De vrouwenmars, op basis van speurwerk van amateurhistoricus Bindert Helder uit Grijpskerk, een interview dat hij in de jaren tachtig opnam met een van de vrouwen, zeven dagboeken en onderzoek door Ika van Doorn. Zij is de kleindochter van Nonny van Doorn-van den Bosch, nummer 59. De documentaire werd geregisseerd door haar neef, Nonny’s kleinzoon, Ted Alkemade en geproduceerd door Slate51. De komende dagen wordt hij op regionale tv-zenders uitgezonden en in diverse filmhuizen vertoond.

„Ze liepen op de grens van dood en leven”, zegt Stefan Szepesi in de documentaire. Zijn oma Nel van Rees-van Geest was nummer 45. „Ze wisten niet waarheen ze liepen of waarom ze meegenomen werden – als menselijk schild of om de bewijslast van martelingen te verdoezelen”, vertelt Ika van Doorn. Gert Sennema, samen met Natasja Bennink maker van een vijftal beelden langs de route die de vrouwen moesten lopen en verre nazaat van Riek Sennema, nummer 111, zegt: „Ze gingen ervan uit dat ze doodgeschoten zouden worden.”

De bevrijde vrouwen in Grijpskerk.

Foto’s Willem van de Poll/Nationaal Archief

Witte band

Rieks verhaal staat centraal in de documentaire, waarin ze wordt nagespeeld door actrice Wilke Jansen, lopend door het donkere Drents-Groningse landschap. Maar de stem is die van Riek Sennema zelf, opgenomen in 1985 op een nu gerestaureerd cassettebandje. Ze zegt: „Een witte band betekende dat je ten dode was opgeschreven.”

Bindert Helder – nu 92 – interviewde haar in 1985. Hij was toen al bijna tien jaar bezig te reconstrueren wie de vrouwen waren, de 116 nummers te laten corresponderen met namen, toen iemand hem vertelde dat Riek Sennema een dorp verder woonde, in Zuidhorn. Ze was koerier geweest van het illegale blad Trouw en had wapens gesmokkeld. Op het cassettebandje zegt ze tegen Helder dat ze Duitse soldaten was tegengekomen en uit angst was gaan zingen: „Ik heb mijzelf eigenlijk verraden.”

Helder vertelt: „Een paar avonden zat ik daar, met een kleine cassetterecorder. Maar ik moest eerst op mijn knieën. Ze wilde aanvankelijk niet over die tijd praten.”

Dat is ook wat familieleden zeggen. De 116 vrouwen spraken na de oorlog zelden over de deportatiemars, de enige die op Nederlandse bodem plaatsvond. Zelden over Westerbork of de tijd daarvoor, toen ze gevangen zaten en vaak hardhandig waren ondervraagd en gemarteld.

„Alle vrouwen waren slachtoffer van de jacht op verzetsstrijders eind 1944. De meesten kwamen van de Veluwe, een groot deel was naar de Willem III-kazerne in Apeldoorn gebracht en/of De Kruisberg in Doetinchem. Twee transporten kwamen uit de huizen van bewaring in Zwolle en Groningen”, vertelt Ika van Doorn.

„Tussen 21 maart en 6 april kwamen ze in Westerbork aan, maar daarvoor hadden ze al hele nare dingen meegemaakt. Ze vielen in de categorie ‘zware politieke gevangenen’. Sommigen hadden zelf niet in het verzet gezeten, maar hun man, vader of broer hadden een rol en werden gezocht. Dat gold ook voor de schoonmoeder van mijn oma: zij zat gevangen omdat haar zoon niet werd gevonden.”

Losse verhaaltjes

Bij thuiskomst bleek dat niet alle mannen de oorlog hadden overleefd. Zoals in de familie van Jochem van den Top, achterkleinzoon van Jantje Boonzaaijer-Boon (nummer 58): „Mijn grootmoeder was samen met mijn grootvader heel erg actief in het verzet. Haar ouders ook, op de boerderij gebeurde van alles.”

„Losse verhaaltjes”, hoorde Van den Top als kind. Over wapendroppings, het gemeentehuis van Ede dat in brand werd gestoken zodat het bevolkingsregister niet kon worden gebruikt door de bezetter, over het laten ontsporen van treinen.

Regisseur Ted Alkemade ( links) en Ika van Doorn (rechts) met de nummers van hun familieleden.

Foto Sake Elzinga

„Ik wist dat mijn overgrootmoeder in Westerbork had gezeten en dat de mars was geweest, alleen werd daar door mijn grootmoeder niet over gesproken. Want haar moeder was wel teruggekomen, maar haar vader niet. Dat was het meest beladen stukje.” Hij vertelt dat zijn oma tot haar dood op 4 en 5 mei „nooit op haar best” was.

Ika van Doorn: „In mijn familie werd alles uit het leven gehaald. Oma had altijd een lach op het gezicht. Pas toen ze dement werd en ze in het verzorgingstehuis de bewakers aanzag voor Duitsers, en alle filters wegvielen, kwam alles in alle hevigheid binnen.”

In een boek dat zij over haar grootmoeder schreef, haalt ze de memoires van Nonny aan die haar oma in de jaren negentig aan haar kleinkinderen gaf: „Ik voelde er weinig voor om situaties op te rakelen die ik zo onbegrijpelijk en wreed vond, […] wil jullie niet belasten met de droeve en onmenselijke dingen die mensen elkaar aandoen.”

Maar die (klein)kinderen hebben inmiddels wel talloze vragen. Willen de geschiedenis leren begrijpen. „Kinderen en kleinkinderen kregen dingen mee door het gedrag van de ouders, het trauma werd meegenomen”, zegt Van Doorn. „Dat betekent begrijpen welke keuzes mensen maakten om wel of niet betrokken te raken.”

Meer aandacht voor verzetsvrouwen

Pas dit decennium brengt – deels – antwoorden. Allereerst komt er meer aandacht voor de rol van verzetsvrouwen in de Tweede Wereldoorlog. In 2020, ter herdenking van 75 jaar bevrijding, organiseerde het Oorlogs- en Verzetscentrum Groningen, samen met wandelvereniging Tocht om de Noord daarom een wandeltocht in de voetsporen van de vrouwen. Die wordt inmiddels jaarlijks georganiseerd door Rixt van Goslinga. Dit jaar liepen zo’n 130 wandelaars van Westerbork naar Assen, nog eens 65 liepen mee op een herdenkingstocht door Kamp Westerbork.

Rond diezelfde tijd dook Ika van Doorn in het verleden van haar grootmoeder. Net als Jochem van den Top, nadat zijn overgrootmoeder een straatnaam in Ede naar haar vernoemd kreeg en een beeldengroep vlakbij werd geïnspireerd door het verzetswerk van zijn grootmoeder. Zij stuitte op de wandeltocht, hij op haar oproep aan nazaten om zich te melden.

De jaarlijkse herdenkingstocht, op zaterdag 11 april 2026.

Foto Sake Elzinga

Ted Alkemade werd weer geïnspireerd tot het maken van de documentaire toen Van Doorn hem vertelde over het interview van Bindert Helder en Riek Sennema en over een video die de zoon van Helder in 1995 had gemaakt van een reünie van een aantal vrouwen. „Ik vond dat zo mooi, je hoort het verhaal uit de eerste hand en op die beelden komen die vrouwen ineens tot leven.”

„We hebben een connectie”, zegt Van den Top. Bij de boerderij van zijn grootmoeder werd de grootmoeder van Ika van Doorn en Ted Alkemade opgepakt met een brief voor het verzet in haar bh. Die brief leidde naar Veenendaal, waar de familie van Nonny’s verloofde Tom woonde. Onder anderen zijn moeder Johanna van Doorn-Bos (nummer 62) werd opgepakt.

Raadsels blijven over vrijlating

Als op 11 april in de vroege ochtend op Westerbork de namen van de 116 vrouwen worden opgelezen, doen Jochem van den Top, Ted Alkemade en de vader van Ika van Doorn dat vlak na elkaar. Er zijn andere nazaten, sommigen noemen de naam met een hoorbare brok in de keel. Alleen bij nummer 71 ontbreekt nog een naam.

Maar het gróotste raadsel blijft waarom de bewakers, voornamelijk Oostenrijkers, de vrouwen uiteindelijk lieten leven. Ze verwachtten de dood.

Nonny van Doorn tekende in haar memoires op dat ze op 14 april op appèl moesten: „Het duurt minutenlang. Hij [de commandant] kijkt naar ons, wij naar hem. Niemand beweegt zich. Dan verandert zijn ernstige blik in iets zachters en verschijnt er iets wat op een glimlach lijkt. Nog één keer kijkt hij de hele rij langs, alsof hij ons allemaal wil aankijken en heft dan zijn hand op.

‘Ich gratuliere Ihnen. Ihr sind alle frei.’”

Lees het hele artikel