Ik was tien jaar niet meer in Florence geweest. Dat de stad intussen ontploft was, wist ik in theorie, maar het is toch anders wanneer je daadwerkelijk na een vliegreis en een stampvolle trein met je gezin de dichtgeslibde stegen in wordt gespuugd, de drommen doorkruist op de Piazza del Duomo en over de smalle trottoirs naar je bestemming strompelt, met je bagage stuiterend achter je aan.
Het is een zaterdag. Bovendien viert heel Italië Bevrijdingsdag. Toepasselijk genoeg heb ik in het vliegtuig Het grote ontprikkelboek van neurobioloog Brankele Frank gelezen, dat net is verschenen. Zij en haar collega’s geven inzichten en adviezen die ik deze week meteen in de praktijk kan brengen.
Om te beginnen: totale rust opzoeken is helemaal niet zo slim. Mijn eerste aandrang is om neer te ploffen op het eikenhouten familiebed van ons logeerappartement, in een vijftiende-eeuws palazzo. Luiken dicht. Noise cancelling op. En maar wachten tot het lawaainiveau in mijn brein, dat ik me voorstel als een overstroomde badkuip, weer gezakt is tot een hanteerbaar peil. Psycholoog Thijs Launspach raadt in het boek juist aan om actief te blijven op een manier waarbij je „niet helemaal ‘los van alle prikkels’ komt, maar je brein op een ándere manier gebruikt”. Wandelen, sporten, lezen, opruimen, of – en dit is wat we gaan doen – koken.
Een half uur later staan we gezamenlijk knoflook te hakken, uien te snijden en in de pastasaus te roeren, met een geactiveerd default mode network, de heilzame pruttelstand van het brein, mijmerend, dagdromend. We eten op het dakterras, in een zee van terracotta dakpannen, waar uit het Palazzo Vecchio en de Duomokoepel geduldig oprijzen. Zwaluwen. Klokgelui. De katten schuilen in de schaduwen van de schoorstenen.
De kerk uit gevlucht
Ik reis nooit in de spits, vermijd winkelstraten op zaterdag, bezoek nooit festivals of Ikea’s op paasmaandag. Die mentale hygiëne heeft wel het risico dat mijn hersenen minder tolerant voor prikkels worden, leer ik bij Brankele Frank, „waardoor je er uiteindelijk gevoeliger voor wordt en je in een vicieuze cirkel belandt”.
Die kan ik deze meivakantie in Florence mooi doorbreken. De anderen in mijn gezin hebben in spitstreinen en middelbareschoolgangen veel meer immuniteit opgebouwd, terwijl ik me dezer dagen een beetje voel als de Franse schrijver Marie-Henri Beyle (1783-1842), beter bekend onder zijn nom de plume: Stendhal.
De volgende ochtend zie ik hem in gedachten, bij de Basilica di Santa Croce, om de hoek van ons palazzo, waar hij een van de beroemdste zenuwinzinkingen uit de geschiedenis doormaakte. In de façade, gletsjerwit, glinsteren gouden letters in het schelle Toscaanse licht. Duizelig en in extase door alle schoonheid was hij deze kerk uit gevlucht, en op een bankje neergestreken, waar ik ook even ga zitten.
Stendhal had de graftombes van Michelangelo en Galilei gezien, met het hoofd achterover de plafondfresco’s van Volterrano staan bewonderen, en toen ervaarde hij „de hoogste graad van ontvankelijkheid, waar de hemelse vervoering die de schone kunst opwekt en passie samenkomen.” Zo beschrijft hij het in 1826 in zijn herziene versie van Rome, Naples et Florence. „Toen ik het voorportaal van de Santa Croce verliet, kreeg ik hartkloppingen… het leven in mij was uitgeblust en ik vreesde al lopend te vallen.”
Het stendhalsyndroom is nooit een officiële medische diagnose geworden, maar eind jaren zeventig beweerde de Florentijnse psychiater Graziella Magherini nog dat hij dan honderd slachtoffers ervan in het plaatselijke ziekenhuis heeft opgenomen. Allemaal toeristen. Vooral bij de aanblik van Botticelli’s La Primavera of Michelangelo’s David sloegen de mentale stoppen door.
Ik benijd die tere zieltjes, die nog in betrekkelijke rust en stilte bij die meesterwerken konden verkeren. Tegenwoordig verschilt een bezoekje eraan in vrijwel niets van het doorlopen van de boardingprocedure voor een stervensdrukke budgetvlucht. Slingerrijen, detectiepoorten, QR-passen. Hoe behoud je hier je ontvankelijkheid? Overal sluit ik aan met het gevoel dat ik een waxinelichtje in de kom van mijn hand brandend moet zien te houden bij het doorkruisen van dat parcours.
Slingerrijen, detectiepoorten, QR-passen. Hoe behoud je hier je ontvankelijkheid?
Neurobiologisch klopt dat beeld wel, zo leer ik uit dat ontprikkelboek. „Het brein is geen transistor die opvangt en doorstuurt, maar een actief systeem dat voortdurend selecteert, dempt, versterkt, voorspelt en betekenis geeft”, schrijft kinder- en jeugdpsychiater Hilgo Bruining. Het is eerder een mengpaneel, dat twee neurologische processen in balans moet houden: excitatie (doorlaten) en inhibitie (afremmen). Mijn hersenen zijn bikkelhard aan het werk om de toeristendrommen te onderdrukken.
Bij Stendhal was dat precies omgekeerd, denk ik. Zijn afrem-schuifje stond op minimaal en zijn brein markeerde vrijwel alles als cruciaal, en liet het versterkt door, ook door zijn hooggespannen verwachtingen: „Ik was reeds in een soort extase bij het idee in Florence te zijn”, jubelde hij.
Het heeft iets wrang ironisch. Al die aardbewoners met wie ik deze wachtrijen deel hebben er veel geld, tijd en moeite voor over om die kunstwerken te zien. Iets van de Stendhal-achtige extase zouden ze willen voelen, of móéten voelen. Maar bij wie gebeurt dat nu werkelijk, in deze luidruchtige infrastructuur?
Hoe blijf je ontvankelijk in de massa? In deze renaissance-hoofdstad word dat mijn geheime missie. Uiteindelijk kom ik uit op drie strategieën, naast de voor de hand liggende, zoals: selectief zijn in welke werken je bekijkt, en daar langer bij stilstaan. Het eerste leer ik in de rij bij het grootste icoon: David. Vrijwel iedereen buiten in de rij voor de Galleria dell’Accademia tuurt naar telefoonschermen. Filmpjes, Instagramtijdlijnen. Ze scrollen door de prikkelkermis, en het museumbezoek volgt dezelfde beweging: horizontaal, van highlight naar highlight.
Mijn neiging in die rij is om op slot te gaan, alles te onderdrukken om pas straks, bij die artistieke mirakels, de luiken weer te openen voor een diepere, verticale ervaring. Inmiddels weet ik dat hermetische afsluiting het waxinevlammetje juist verstikt. Je inhibitie hooghouden is uitputtend. Ik moet dus gaan koken. Of kleuren, breien, sudokuën. Een klein stroompje zuurstof toelaten.
Vlammetje paraat
De truc die blijkt te werken: op een onthechte manier geïnteresseerd blijven in een paar individuen in je directe omgeving. Hier amuseert mijn brein zich met de clandestiene straatverkopers. Ze hebben reproducties van de grote Botticelli’s, Lippi’s en Da Vinci’s op de straatstenen uitgestald. Eén van hen tuurt gespannen rond. Zodra hij een politie-uniform opmerkt slaakt hij een kreet, waarop alle verkopers spoorslags de posters oprollen en wegstuiven. Twee minuten later strijken ze weer neer.
Door zo’n mild-geïnteresseerde houding staat mijn excitatie niet in de Stendhal-stand, maar blijft het vlammetje wel paraat om, voorbij de detectiepoort, daadwerkelijk tot een steekvlam te groeien in de galmende ruimte.
Daar staat hij. David. Bleek en sacraal domineert hij de ruimte, verzonken in zijn eigen volmaaktheid.
Eerlijk gezegd is het wel een korte piek. Je herkent hem, boven de zee van opgestoken schermpjes, bewondert hem, en gaat weer door. Veel langer blijft mijn aandacht gevangen door de marmerblokken op weg erheen. Onvoltooide Michelangelo’s zijn het, waaruit gestalten zich los lijken te worstelen. Hier sta je naast de meester in zijn werkplaats. Kloven, richels, sporen. Je hóórt de tikken van zijn beitel, waaronder de scherven wegspatten. En ik herinner me een interview dat ik vorig jaar had met schrijver Sandro Veronesi. Hij wees me erop dat het toenmalige Florence geen riolering had en bijna alle straten naar stront roken.
Je herkent hem, boven de zee van opgestoken schermpjes, bewondert hem, en gaat weer door
Fantasie, beweging, geur: allerlei hersencircuits haken aan en dit alles versmelt tot een esthetische ervaring die dieper inwerkt. Zo werkt het vaak. De kunstgeschiedenis vertelt waar je naar moet kijken, maar echt zíén leer je pas vlak ernaast.
Dat is de tweede strategie. Kijk náást de meesterwerken, in de luwte, dwaal rond, open voor het onverwachte. Achteraf blijken de meest indringende ervaringen ook de meest onverhoedse. Een mij onbekende tuin vol irissen, aan de voet van de drukke Piazzale Michelangelo, die maar een paar weken per jaar open blijkt. Een vroege Michelangelo, een kruisbeeld, dat zomaar in de Santa Spirito blijkt te hangen. Een beeld van een vissersjongetje in museum Bargello, in de schaduw van de grote Donatello’s en Michelangelo’s.
Op een middag later slenteren we in Lucca bij toeval langs het Istituto Boccherini. Uit een open raam van een oefenruimte klinkt piano, Mozart. Muziek uit een raam heeft iets wat geen enkele podiumuitvoering voor elkaar krijgt. De sensatie dat je iemand betrapt in zijn of haar intimiteit. Onverhoeds krijg je iets mee dat niet bedóéld is voor publiek, net zoals Michelangelo’s onvoltooide blokken.
In de steeg langs dit oudste conservatorium van Italië staan alle ramen open. En daar tuimelen ze over elkaar heen. Dwarsfluit, viool, piano, cello, en daar bovenuit een enkele improviserende jazz-trompet. Een zachtmoedige kakofonie in het galmgat van de straat.
Veilig luikje
En door die studenten weet ik ineens wat ik mis in de straten en op de pleinen van Florence. Bij de zes of zeven eerdere bezoeken waren ze overal: de kunst- of architectuurstudenten met schetsboeken, krijtjes, potloden, tekenplankjes.
Dat is mijn derde tip. Neem een schetsboekje en potlood mee. Natekenen activeert andere hersendelen terwijl je betrokkenheid groeit. En omdat het resultaat er niet toe doet, blijf je onthecht, in het speelse, niet op prestatie gerichte default mode network.
Waar zijn ze eigenlijk heen, de enige zielen in groepsverband die onmiddellijk mijn sympathie hadden? Verdreven door de digitale 3D-collecties en de tekensoftware? Het blijkt dat het stadsbestuur zelf maatregelen nam tegen overtoerisme. Grote groepen mogen zich niet langer ophopen in het krappe stadscentrum. Door diezelfde reglementen mogen gidsen geen versterkers meer gebruiken.
Tijdens een fietstour krijgen we dus allemaal een zenderoortje in. Halverwege leren we over een nieuwe variant van het stendhal-syndroom. De gids laat ons afstappen in een smalle straat, koel als een bergkloof. „Op deze plek begon een Amerikaanse uit mijn groep ineens allemaal geluiden te maken”, vertelt ze. „Ik dacht, wat is híér aan de hand? Heeft ze soms een orgasme? Maar nee, het was dit…”
Ze wees een kleine nis aan, niet groter dan een A4’tje, met een accoladeboog, onopvallend in de gevel van een palazzo. In de renaissance werd de wijn door zo’n luikje verkocht, zonder dat de bewoners het gepeupel onder ogen hoefde te komen. De buchette del vino waren in coronatijd herontdekt, als veilig luikje om consumpties door te serveren. „Allerlei TikTok-influencers schijnen ze helemaal hot te hebben gemaakt. Terwijl, die dingen zitten hier al 800 jaar!”
Niets over die hemelse extase
Het lot van die luikjes is exemplarisch voor hoe de stad is veranderd. In 2009 was ik hier met Ad, vriend en wijnkenner, en werden we er door een van zijn Florentijnse vrienden op gewezen. Ze waren nog helemaal niet beroemd, maar wij zagen ze vanaf toen overal, als een persoonlijke knipoog. Nu hebben eigenaren van enoteca’s, wijn- en spijslokalen, die nisvormen zelf aangebracht in de muren en op de ruiten, door bijvoorbeeld creatief kurken te plakken. Bij eentje, uitgerust met een bronzen bel, klit een groepje meiden op cowboylaarzen onder spijkerrokken samen. „Oh My God!” schreeuwen ze, voordat ze de foto’s nemen. Of ze werkelijk overweldigd zijn of dat vooral zouden wíllen, blijft in het midden.
Op onze laatste namiddag zit ik opnieuw op het Stendhalbankje. Omdat ik me steeds meer in zijn syndroom verdiep, ben ik gestuit op Julian Barnes’ Niets te vrezen (2008). Op mijn e-reader lees ik hierin hoe hij Stendhals verslag uit 1826 naast het dagboek legt dat hij bijhield tijdens zijn daadwerkelijke reis, als 28-jarige in 1811.
Bij de bevindingen val ik bijna van het bankje. Niets over die hemelse extase, geen woord! Oké, hij was ontroerd bij bepaalde schilderijen. Maar die Santa Croce-fresco’s kon hij niet eens goed zien, noteerde hij droogjes. „Het kwam me slechts zeer indrukwekkend voor.” In zijn gepubliceerde verslag overdreef Stendhal schromelijk. Voor Barnes maakt dit het verhaal juist ‘boeiender’: „Wanneer een schrijver een verhaal vertelt, vind je de waarheid in de laatste versie, niet in de eerste.”
Elegant goedgepraat, maar nu blijf ik toch achter met het idee dat ook Stendhal orgastische geluiden begon te maken. Is dat uiteindelijk het stendhalsyndroom? Een welbespraaktere variant op het Oh My God bij de beroemde werken, waar ook hij misschien wel net iets minder voelde dan hij hoopte?
Ergens is dat best geruststellend.
Illustratie Merel Corduwener

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/05/15111515/150526VER_2033752572_.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/05/15120543/150526VER_2033754884_archiefbeeld2.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/05/07145407/150526WEE_2033548659_1.jpg)




/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/05/12130028/120526VER_2033686126_vergoeding.jpg)

English (US) ·