Voor de Zwitserse (29) en de Oostenrijkse (42) biatleet telt maar één ding: hun ademhaling

5 uren geleden 2

Bindingen los, voorover op de knieën en ellebogen, zó hard hijgend dat het geweer op hun rug danst. Dat is wat je veel biatleten ziet doen, meteen nadat ze finish gepasseerd zijn. Anderen liggen op hun zij in de sneeuw, minuten lang, hun ski’s nog aan. Of zelfs plat op hun buik. Ze zijn kapot, uitgewrongen, naar de vaantjes.

Simon Eder ligt of zit niet. Hij blijft na de finish rechtop staan, zijn handen op zijn skistokken. Een lange slijmdraad hangt uit zijn grijzende baard. Eder kijkt een tijdje voor zich uit, naar niets eigenlijk, en wandelt dan weg, zijn ski’s in zijn armen. Het is niet zo, zegt hij tien minuten later in de mixed zone, dat hij niet kapot is gegaan. Het was een „hele, hele zware wedstrijd”.  Nee, rechtop staan is gewoon „mijn voorkeurshouding” om bij te komen. „Zo doe ik dat.”

De Oostenrijke Simon Eder (links) en Fabien Claude tijdens de 20 kilometer biatlon in Anterselva.

De Oostenrijke Simon Eder (links) en Fabien Claude tijdens de 20 kilometer biatlon in Anterselva.

AFP

Biatlon is de zwaarste sport van de Winterspelen. Extreme inspanning (langlaufen) afgewisseld met extreme concentratie (schieten op vijf minuscule schijfjes) – ga er maar aanstaan. De 20 kilometer individueel, die de Oostenrijker zojuist achter de rug heeft, is dan weer de zwaarste van alle nummers: de langste afstand, het grootste hoogteverschil, de meeste spanning tijdens het schieten. Alleen de allerbesten komen hier bovendrijven – en Eder, 42 jaar oud en bezig aan zijn vijfde en laatste Winterspelen, hoort daar vandaag niet bij. Hij is vierendertigste geworden.

Alle stoeltjes bezet

Achter Eders rug ontvouwt zich een schitterend panorama: besneeuwde bergkammen, naaldbomen, bergstroompjes. We zijn in Anterselva (in het Duits: Antholz). Hier, op bijna vierhonderd kilometer van Milaan, een kwartiertje rijden van de Oostenrijkse grens, staat het grootste biatlonstadion van Europa. Er is plek voor bijna 20.000 mensen – bijna drie keer zoveel als het ijsstadion in Milaan. Alle stoeltjes zijn bezet, ook al is het een doordeweekse dag. De supporters hebben vlaggen bij zich uit alle windstreken – maar vooral uit Duitsland.

Iedere dertig seconden ziet het publiek een biatleet uit het skipoortje schieten. Vinnige slagen, het geweer stabiel op de rug gebonden. Op de 20 kilometer individueel (15 bij de vrouwen) staan de biatleten er alleen voor. Geen peloton of vluchtersgroepje om je in te verstoppen, geen tactische handigheidjes om een slechte dag mee te verhullen. Vijftig minuten (of meer) ben je alleen op de beklimmingen, alleen in de afdalingen, alleen op de schietbaan.

Alsof dat al niet genoeg is, is er nóg iets: het schieten heeft bij de 20 kilometer extra gewicht. Wie op de andere biatlonnummers – sprint, estafette, massastart, achtervolging – een schijf mist, moet een extra strafronde lopen. Dat kost om en nabij 25 seconden. Bij de 20 kilometer volgt een ándere sanctie: een minuut tijdstraf – dubbel zoveel dus. Het is daarom, zeggen biatleten, het meest onvoorspelbare nummer van hun sport: de favoriet in koers kan zijn koppositie in één klap kwijtraken door een ongelukkige beurt op de schietbaan. Eén gemiste schijf maakt het verschil tussen wel of geen medaille – hoe hard je ook skiet.

De strafminuten zorgen voor de biatleten voor een onoverzichtelijke situatie, vertellen ze. Op welke positie in de wedstrijd liggen ze? Vaak hebben ze geen idee. Ja, bij elke doorkomst staan hun coaches – oortjes in met radioverbinding – te schreeuwen hoeveelste ze staan, maar dat kan een paar seconden later al weer compleet anders zijn. Het is langlaufen en schieten in het donker.

De Zwitser Joscha Burkhalter.

De Zwitser Joscha Burkhalter.

AFP

Vijf schoten in twintig seconden

Twintig keer moeten de biatleten schieten bij de 20 kilometer individueel. Vier beurten van vijf schoten; twee keer staand, twee keer liggend. Cruciaal bij het schieten is de controle over je ademhaling. ,,Je kunt niet volle bak aan komen skiën bij de schietbaan”, zegt Joscha Burkhalter. ,,Dan zit je hartslag te hoog en kun je niet goed schieten.”

De Zwitser Burkhalter (29), die in Anterselva als dertigste uit het startpoortje vertrekt, staat in de biatlonwereld bekend als een ‘snelle schieter’, wat betekent dat hij relatief kort doet over zijn schietbeurten – vijf schoten in twintig seconden. De truc, zo vertelt hij, is om vóór de schietbaan je hartslag omlaag te krijgen, door alvast een beetje in te houden. In Alterselva heeft hij, zoals veel biatleten, een vast punt: halverwege het klimmetje voor de schietbaan, waar de dranghekken met olympische logo’s beginnen.

De buitenwereld, zegt Burkhalter, denkt dat biatleten tijdens het schieten hun hartslag zo ver mogelijk naar beneden proberen te krijgen. Dat is een misverstand. ,,Hoe lager je hartslag, hoe harder de slagen en hoe langer de pauzes ertussen – en dat voel je op het geweer.” De vuistregel is: hartslag naar beneden, maar vooral niet te veel. Burkhalters ondergrens is 150 slagen per minuut (,,laag voor een biatleet”). Die van Simon Eder: 165.

Eindeloos oefenen de biatleten op die constante hartslag. Ze doen ademhalingsoefeningen, simuleren wedstrijdsituaties. De Fransman Eric Perrot, die deze dinsdag zilver wint op de 20 kilometer, trainde zelfs met een diepzeeduiker op het inhouden van zijn adem onder water. Het is zaak, vertelt Burkhalter, om ,,in je adem” te schieten. Uitademen, geweer richten, trekker overhalen, inademen, herladen, uitademen, weer richten, enzovoort.

‘Vervelende stemmetjes in je hoofd’

Op de tribune in Anterselva zijn de toeschouwers vooral gericht op de schietbaan. Ze barsten los in hard gejuich als een biatleet ‘schoon schiet’: alle vijf schoten raak. Niet één schijf missen (twintig uit twintig) is zeldzaam, zelfs voor de grote kampioen. Maar tijdens deze olympische 20 kilometer in Anterselva gebeurt het wél: de winnaar, Johan-Olav Botn uit Noorwegen, slaagt er als enige deelnemer in om een voor biatleten gelukzalige ‘0-0-0-0’ achter z’n naam te krijgen. De nummer twee, Eric Perrot uit Frankrijk, is sneller op het parcours dan Botn: had hij niet misgeschoten tijdens zijn tweede beurt, dan was híj olympisch kampioen geworden.

Op de schietbaan, zegt veteraan Simon Eder, komt alles samen. ,,Het is als een spiegel voor jezelf. Zit je niet goed in je vel – dan neem je dat onherroepelijk mee.” Het moeilijkste zijn de rondes na het missen van een schijf. Burkhalter: ,,Er is dan heel veel tijd voor vervelende stemmetjes in je hoofd. Wat als ik bij de volgende schietbeurt weer een schijf mis – of twee?”

De Zweed Viktor Brandt tijdens het onderdeel liggend schieten.

De Zweed Viktor Brandt tijdens het onderdeel liggend schieten.

REUTERS

Burkhalter, de snelle schieter, is na afloop niet tevreden over zijn wedstrijd. Zesendertigste is hij geworden, twee plaatsen onder Simon Eder. Hij had moeite een ritme te vinden in het langlaufen, vertelt hij, waarschijnlijk door de hoogte – Anterselva ligt op 1.600 meter. Eerst ging hij te hard, dacht hij. Hij hield in, uit angst voor blau laufen: noordsesportenjargon voor verzuurde benen. „Maar toen ging ik voor mijn gevoel weer te langzaam.” De schietbaan bracht hem ook niet wat hij hoopte. Zijn ademhaling had hij prima onder controle, maar de wind speelde hem parten: 1-1-0-1. „Drie keer mis, dat is te veel op dit niveau.”

Waarom het bij Simon Eder niet goed ging? Moeilijk om te zeggen, vindt hij. Het parcours was zwaar, hij voelde zich „niet happy” tijdens de langlaufrondjes. Misschien lag het aan de sneeuw, misschien aan zijn ski‘s – wie zal het zeggen? Het schieten ging in de eerste twee beurten foutloos, maar in ronde drie en vier schoot hij mis: 0-0-1-1. Heel veel deed dat er eigenlijk niet meer toe. „Ik wist al heel snel dat ik geen kans maakte.”

De journalistieke principes van NRC
Lees het hele artikel