Waarom lopen mannen twee keer zo vaak ’tegen de muur’ bij een marathon?

2 dagen geleden 4

Elk najaar rennen tienduizenden lopers door de Berlijnse binnenstad, over een parcours dat bekendstaat als opvallend vlak. Het wordt bovendien al 27 jaar onder redelijk vergelijkbare omstandigheden gelopen. Precies dat maakt de marathon van Berlijn geschikt om iets uit te zoeken dat kleinere studies eerder al signaleerden, maar nooit met zoveel data konden onderbouwen: mannen lopen sneller dan vrouwen, maar zakken tijdens de tweede racehelft veel vaker abrupt in.

Deze nieuwe analyse omvat 873.334 finishtijden van de Berlin Marathon, gemeten van 1999 tot en met 2025. Van de deelnemers was 76 procent man en meer dan de helft was tussen de 35 en 49 jaar oud. Alleen finishers telden mee, wie tijdens de race uitviel ontbreekt dus in de cijfers en dezelfde loper kan in meerdere edities zijn meegeteld.

Wat is ’tegen de muur lopen’ eigenlijk?

Om te bepalen wie er instortte, is gekeken naar het verschil tussen de eerste en de tweede helft van de race. Zakte iemands tempo in de tweede helft met minstens 20 procent, dan gold dat als ’tegen de muur lopen’. Die grens is niet willekeurig gekozen: fysiologisch gezien komt een vertraging van deze omvang overeen met wat je zou verwachten wanneer het lichaam in toenemende mate op vetverbranding moet overschakelen, een proces dat minder energie per opgenomen zuurstof oplevert. Dat is een verwachte samenhang, geen directe meting: of iemands glycogeenvoorraad daadwerkelijk leeg raakte, is met dit soort race-data niet vast te stellen.

Leestip: Is een marathon lopen slecht voor je hart? Tien jaar durende studie geeft het antwoord

Mannen finishten gemiddeld sneller, in vier uur en twee minuten tegenover vier uur en 29 minuten voor vrouwen. Toch zakte 17,6 procent van de mannen op deze manier in, tegenover 9,7 procent van de vrouwen: bijna een verdubbeling. Onder de snelste lopers, met een finishtijd onder de drie uur, liep dat verschil nog verder op. Daar kreeg nog geen anderhalf procent van de mannen te maken met zo’n instorting, tegenover minder dan een kwart procent van de vrouwen. Oftewel: zes keer zoveel gevallen bij de mannen. Snel lopen blijkt dus geen garantie tegen een verkeerd ingeschat tempo.

Vrouwen houden hun tempo beter vol

Voor een deel van de lopers waren ook tussentijden per vijf kilometer beschikbaar, waarmee het tempoverloop preciezer in kaart kon worden gebracht. Daaruit blijkt dat vrouwen gedurende de race een stabieler ritme aanhouden dan mannen: hun tempo schommelt minder van kilometer tot kilometer en meer vrouwen dan mannen lopen de hele marathon zonder duidelijk omslagpunt. Als mannen wél inzakken, gebeurt dat gemiddeld iets later in de race dan bij vrouwen, maar de terugval in de laatste kilometers is bij hen wel groter.

Mogelijke verklaringen: brandstofverbruik en zelfoverschatting

Waarom vrouwen hun tempo beter volhouden, is nog niet volledig duidelijk. Eerder onderzoek liet al zien dat vrouwen tijdens inspanning verhoudingsgewijs meer vet en minder koolhydraten verbranden, wat de beperkte glycogeenvoorraad langer kan sparen. Omdat uitputting van die voorraad vaak ten grondslag ligt aan het instorten tijdens een marathon, zou dit deels kunnen verklaren waarom vrouwen minder vaak tegen de muur lopen.

Er speelt mogelijk ook iets anders mee, dat niet met de benen te maken heeft maar met het hoofd. Uit eerder onderzoek is bekend dat mannen in competitieve situaties gemiddeld hun eigen kunnen vaker overschatten en meer risico nemen, wat zich bij het lopen van een marathon kan vertalen naar een te agressieve start. Dit onderzoek zelf bevat geen gegevens over zelfinschatting of racestrategie van individuele lopers, dus voorlopig blijft dit een hypothese en geen aangetoond mechanisme.

Slechts een marathon

Het onderzoek beperkt zich tot één marathon, al bestrijkt de dataset wel 27 edities. Of dezelfde patronen gelden voor heuvelachtige parcoursen, andere klimaten of minder ervaren lopers, blijft onduidelijk. Fysiologische metingen zoals hartslag, melkzuur of daadwerkelijke glycogeenspiegels zijn ook niet gemeten, waardoor de verklaringen voorlopig aannemelijke interpretaties zijn en geen bewezen oorzaken. Ook zijn in dit onderzoek alleen finishers meegenomen: lopers die de race voortijdig staakten, ontbreken. Juist bij een zware instorting is de kans groter dat iemand niet meer finisht, wat betekent dat het werkelijke aandeel lopers dat tegen de muur loopt vermoedelijk hoger ligt dan deze cijfers laten zien.

Wil je niets van Scientias missen? Voeg Scientias toe als voorkeursbron op Google dan zie je al onze verhalen!

Uitgelezen? Luister ook eens naar de Scientias Podcast:

Lees het hele artikel