Wat is het grote thema van de nieuwe generatie schilders? ‘De eigen nabije wereld’, zegt koning Willem-Alexander

8 uren geleden 1

En, kunnen we het zien? Zijn de deelnemers dit jaar opvallend wild, escapistisch, of juist idealistisch? „Het is altijd lastig om rode draden in een groepstentoonstelling te vinden”, zegt koning Willem-Alexander bij zijn openingsrede van de Koninklijke Prijs voor de Vrije Schilderkunst op dinsdagmiddag in het Paleis op de Dam in Amsterdam. Maar: „Meer dan de helft van de vijftien kunstenaars zoekt zijn inspiratie in de eigen nabije wereld”.

Daarmee heeft deze jaargang van de bijbehorende expositie van de Koninklijke Prijs toch ook weer zijn eigen rode draad: de reflectie op de eigen „nabije wereld”, die juist in deze tijden van de turbulentie „rond AI” meer nadruk zouden krijgen. Zowel koning Willem-Alexander als juryvoorzitter Mirjam Westen (Museum Arnhem) noemen dit als terugkerend thema, ook bij de drie winnaars Gideon van Gameren (1998), Lorian Gwynn (2001) en Dion Rosina (1991), die dinsdag deze aanmoedigingsprijs ter waarde van 9.000 euro kregen.

‘A Celebration of Unfinished Thoughts’ (2025) van Lorian Gwynn.

‘A Celebration of Unfinished Thoughts’ (2025) van Lorian Gwynn.

Foto Tom Haartsen

Westen zegt het iets complexer dan Willem-Alexander: „Het merendeel van de inzenders maakt werk dat is gevoed door de innerlijke belevingswereld, of werk dat zich verhoudt tot de nabijheid van de eigen leefwereld.” Waarmee ze heel concreet bedoelt: Van Gameren refereert in zijn schilderijen met titels als ‘Laskap’ aan „de werkplaats van zijn ouders waarin campers worden gerepareerd”, Gwynn maakt dromerige groepsportretten van haar vriendenkring, en Rosina zoomt in op historische foto’s en schilderijen met een deels Afrikaanse achtergrond, waardoor de beelden haast eigen herinneringen lijken.

Reflectie van de tijdsgeest

„Nabijheid”, zou hen verbinden, en klopt dat? Het past in ieder geval goed. Want als er iets is waarmee de Koninklijke Prijs van de Vrije Schilderkunst zichzelf al jaren siert, is het wel de ambitie om een soort bestandsopname te maken. De prijs voor jong schildertalent wil altijd net weer iets meer zijn dan alleen een aanmoedigingsprijs, ze wil ook laten zien waar de eerbiedwaardige kunstvorm nu staat, niet alleen qua vorm, maar zeker ook qua inhoud, als een soort reflectie van de tijdsgeest.

Trots klinken daarbij dan de namen van eerdere prijswinnaars, later doorgebroken schilders zoals Jan Toorop (1876), Jan Dibbets (1964) en Natasja Kensmil (1998), van wie werk achteraf ook als een soort reflectie op de tijd ging gelden. En de schilderkunst, zo eerbiedwaardig als ze is, leent zich ook al eeuwen voor deze rol als klankbord. Maar tegelijk is de schilderkunst in de bestaansperiode van deze prijs sinds 1871 al behoorlijk vaak dood verklaard. Rond 1871 was het de fotografie die als het begin van het eind van de schilderkunst gold, en nu, zo stelt de jury gelijk al aan het begin van zijn rapport, is het de opkomst van AI die een dergelijke twijfel losmaakt.

‘Drift to the centre’ (2025) van Dion Rosina.

‘Drift to the centre’ (2025) van Dion Rosina.

Foto Tom Haartsen

Deze turbulentie rond AI is vandaag ook de context waarin de schilderijen worden geplaatst. En het zal niet verbazen: haast geruststellend zijn de woorden voor het publiek van kunstenaars, critici en andere leden van de kunstwereld. De schilderkunst, stelt Westen, is ook in tijden van AI „springlevend”. Sterker nog, zegt koning Willem-Alexander: juist in deze turbulente tijden waarin AI oude zekerheden onderuit haalt, worden „onze verbeeldingskracht en onze creatieve scheppingsdrang” extra van belang. En kunst heeft het vermogen, zo zegt hij, om mensen „samen te binden”.

Wereld in verwarring

De kunst als standvastige pijler in een wereld in verwarring. En inderdaad: in tegenstelling tot eerdere jaren waarin de ‘verbreding’ van het medium juist een bewust criterium leek te zijn, zou je nu van een terugkeer naar de vertrouwde vorm kunnen spreken. Zeker bij de winnaars heeft het werk een duidelijke, haast vertellende figuratieve kern, bij Van Gameren eerder in een expressieve variant, terwijl Gwynn en Rosina expliciet verwijzen naar de aanpak van oude meesters, zoals Gwynn doet bij de groepsportretten van Frans Hals.

Tegelijk reflecteren de nieuwe schilders met die oude techniek wél op de nieuwe tijd. Ze nemen nieuwe technieken in zich op, sommigen van de vijftien deelnemers gebruiken zelfs AI om hun beelden te genereren, of ze verwijzen naar andere actuele thema’s, zoals herkomst. Het werk van Rosina gebruikt de ‘samplecultuur van de hiphop’, waarbij een door hem hergebruikt portret van een zwarte vrouw uit 1800 dan ineens een verwijzing naar het slavernijverleden blijkt te hebben. De beelden van de werkplaats van Van Gameren onderzoeken „de relatie tussen zijn familie en hemzelf, en tussen huiselijkheid en arbeid”. En de portretten van de vriendenkring van Gwynn, deels ook met verwijzingen naar haar Indonesische familieachtergrond, vormen een soort baken „binnen alles wat er in de wereld gebeurt”.

‘De teen van mijn vader’ (2024) van Gideon van Gameren.

‘De teen van mijn vader’ (2024) van Gideon van Gameren.

Foto Tom Haartsen

Je kan dit een reflectie op de „nabije wereld” noemen, maar escapisme is het dan toch ook weer niet. De grote actuele thema’s worden er aangesproken, al is het niet nadrukkelijk maar zijdelings, als deel van een grotere kluwen aan verwijzingen. In de nieuwe jaargang van de Prijs van de Vrije Schilderkunst overheerst daarmee een contemplatieve, licht-melancholische houding tegenover de wereld, waarbij persoonlijke herinneringen en verbintenissen voor expliciet ideologische boodschappen gaan.

De journalistieke principes van NRC
Lees het hele artikel