Een destructiebedrijf was de koeienkadavers al aan het opruimen toen agrarisch sociaalpsycholoog Henk Korterink het erf op kwam rijden. Iemand zei dat hij beter niet naar binnen kon gaan. Een stier had een jaar dood in de stal gelegen, er waren alleen nog huidresten over. Een koe hing dood aan het voerhek. Andere koeien lagen dood op de grond, weken of maanden soms al.
Het was een bedrijf met zestig melkkoeien, veertig stuks jongvee en 32 hectare land. De melkveehouder was vrijgezel, had geen kinderen en had het laten lopen na een mislukte emigratie naar Frankrijk. De administratie was blijven liggen, hij stopte met melken. De stroom werd afgesloten toen de rekeningen niet meer werden betaald. Bij het licht van zijn trekkers gaf hij de dieren soms nog water en wat voer.
Toen de eerste stier stierf, durfde hij niets te doen. Hij liet hem liggen. Daarna zakte de één na de ander door de hoeven. Hij deed niets. Als er mensen het erf op kwamen, verstopte de boer zich onder de deurpost. Briefje op het raam: ‘Ik ben om 21.00 uur weer thuis’. Zo laat zouden ze toch niet meer terugkomen.
Vlak voor Kerst, nu vijf jaar geleden, kwam zijn geheim uit. De voerleverancier liep met een cadeautje het erf op en opende de staldeur. Daarna kwamen de instanties, en werd het Vertrouwensloket ingeschakeld, tot opluchting van de veehouder. Henk Korterink zou de boer er mentaal weer bovenop helpen. De officier van justitie besloot uiteindelijk om juridische redenen om niet tot vervolging over te gaan.
De boer moet eerst onderkennen dat het niet goed gaat. Als dat eenmaal gebeurt, komt het verhaal er meestal in één keer uit
Korterink (78) vertelt het verhaal, dat mag van de boer zolang het zonder naam is, aan tafel met dierenarts Frederik Waldeck (48) naast zich. Ze werken allebei voor het Vertrouwensloket Welzijn Landbouwhuisdieren, een instantie waarbij al een kwart eeuw meldingen gedaan kunnen worden als mensen vermoeden dat landbouwhuisdieren niet goed worden behandeld. Bij het loket zeggen ze: worden de dieren niet goed verzorgd, dan is het meestal ook mis met de boer.
Zo’n honderd keer per jaar gaan ze, door het hele land, met een team naar een bedrijf toe. Vijftien mensen, allemaal agrarisch onderlegde deskundigen, die bijna allemaal zelf op een boerderij zijn opgegroeid. Sociaalpsychologen, bedrijfskundigen, veeartsen – per keer bekijkt Waldeck, de coördinator, wat er nodig is. Vaak zijn zij de eersten die de diepe financiële en vooral mentale nood van een boer zien.
Is het lastig voor jullie om met een boer in gesprek te komen?
Waldeck: „Het eerste telefoontje is het moeilijkste. Dan vertel ik dat er een melding is gedaan. Soms weet de boer dat al van degene die heeft gemeld. Dan heeft dierenarts, voerspecialist of inseminator al gezegd: luister, ik zie het afglijden hier, je hebt onafhankelijke hulp nodig. Dan zijn boeren vaak opgelucht dat we bellen. Maar bij anonieme meldingen is het eerste gevoel vaak vijandig: wie lapt mij erbij!”
Korterink: „De boer moet eerst onderkennen dat het niet goed gaat. Als dat eenmaal gebeurt, komt het verhaal er meestal in één keer uit.”
Is er een bepaald type boer bij wie het vaker misgaat?
Waldeck: „Je denkt misschien aan de alleenstaande, oudere boer. Die zien we, maar zeker niet alleen. Ik kom ook bij dertigers, veertigers met een groot, modern bedrijf. Je loopt rond en denkt: hier gaat alles perfect. Maar in de keuken hoor je over een scheiding, kinderen die ziek zijn, iemand die is overleden. Je moet 24 uur per dag, 7 dagen in de week blijven klaarstaan voor de dieren – het zijn vaak melkveehouders waar we komen. Ergens is vaak iets geknakt. En praten vinden veel boeren moeilijk, dát cliché klopt meestal wel.”
Korterink: „Het zit ook vaak in familierelaties. Jonge boeren die het bedrijf niet durven te veranderen, omdat vader elke dag nog de stal in loopt en de zoon of dochter doodsbang is voor die man. Dan kan ik wel zeggen: ‘jaag vader het erf af’, maar dat durven ze niet. Soms zijn het kinderen die het bedrijf niet willen voortzetten, verhuizen, en dat pa en ma het daarna niet meer kunnen bolwerken.”
Jullie kijken in eerste instantie naar de gezondheid van dieren. Hoe zien jullie of dat niet goed gaat?
Waldeck: „Ze moeten een schone, droge ligplaats hebben. Voldoende water en goede kwaliteit voer. Geen pijn of ongemak ondervinden en als dat wel zo is, moet goede diergeneeskundige hulp worden geregeld. Als iets niet in orde is, grijpen we meteen in. Laatst hadden we een veehouder waar de melkkoeien met de poten in een bad van eigen mest stonden. Heel ernstig. Dan geef ik ze één dag de kans om het te regelen, anders schakelen we de NVWA (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) in. Die kan een waarschuwing geven, of een boete opleggen en in zware gevallen overgaan tot het ruimen van dieren op een bedrijf. Wij doen dat niet, wij komen echt om hulp te bieden.”
Dierenwelzijn is een emotioneel onderwerp, waarover boeren vaak hard aangepakt worden. Zien jullie ook dat boeren doelbewust hun dieren slecht behandelen?
Waldeck: „Ik heb ook honden en katten behandeld als dierenarts, daar zag je dat soms wel. Maar nee, ik moet de eerste veehouder nog tegenkomen die expres zijn dieren verwaarloost.”
Korterink: „Echt expres? Nee. Je ziet wel dat sommigen het wat minder nauw nemen met regels, meer op een ouderwetse manier werken die zich niet meer verhoudt tot hoe we het nu willen zien en daar moeilijk op aan te spreken zijn. Waarom is die oude, krappe ligbox niet goed genoeg? En een beetje modder op dat beest, dat is toch niet erg? Maar dat kom ik maar heel weinig tegen.”
En als je dan ziet dat kabinet na kabinet onzekerheid laat bestaan over de toekomst van boeren… dat is voor sommigen heel zwaar
Je hoort vaak van boeren dat ze het extra zwaar hebben omdat de regelgeving rond bijvoorbeeld stikstof zo onduidelijk is.
Waldeck: „Veehouders moeten aan ontzettend veel regels voldoen. Deels logisch, want ze produceren voedsel, maar onzekerheid over de toekomst van hun bedrijf is heel ingewikkeld.”
Korterink: „Soms is het wel extreem. De mestboekhouding bijhouden, dat is zó complex geworden… Als je vrouw dat altijd deed – wat we vaak zien – en zij wordt ziek of overlijdt, dan kun je dat niet zomaar overnemen. Dan ontstaan snel problemen.”
Waldeck: „En als je dan ziet dat kabinet na kabinet onzekerheid laat bestaan over de toekomst van boeren… dat is voor sommigen heel zwaar. Zeker als ook nog persoonlijke problemen spelen, psychisch of in het gezin. Dan knapt het soms. Als ik het heel somber mag zeggen, begrijp ik wel dat er procentueel veel zelfmoorden zijn onder boeren.”
Lees ook
Met koptelefoon op de koeien voeren: boeren ontvangen scholieren om de kloof met de samenleving te dichten
Uit onderzoek blijkt dat onder agrariërs het suïcidepercentage het hoogst is van alle beroepen, al speelt mee dat het vaak gaat om mannen van middelbare leeftijd die sowieso al oververtegenwoordigd zijn in de cijfers. Wel zie je hetzelfde in de rest van Europa en hebben boeren relatief vaak psychische problemen. Komt het ook voor dat het niet lukt om te helpen?
Korterink: „Zeker. Ik werk naast het vertrouwensloket ook bij een agrarisch hulpverleningsbedrijf. Alleen al in het afgelopen half jaar hebben we met zeven suïcides te maken gehad. Ik zit ook best vaak bij mensen, mannen meestal, die zeggen: kan ik er niet beter mee stoppen, met mezelf? Ik vraag daar vaak ook naar, anders hoor je het niet.”
Zo rechtstreeks?
Korterink: „Het is risicovoller als het wordt opgekropt. Ik vind dat je altijd moet vragen. Vaak vinden die boeren dat hartstikke fijn. Eindelijk kunnen ze vertellen waar ze al zo lang mee zitten.”
Waldeck: „We krijgen bij het vertrouwensloket ook wel meldingen van mensen die zich zorgen maken over de boer. Maar we zijn geen spoeddienst. Als we echt denken dat er risico op suïcide is, schakelen we gespecialiseerde instanties en artsen in. Heel soms vrezen we dat er acuut iets gaat gebeuren, dan proberen we wel direct een van onze sociaalpsychologen te sturen.”
Dan laat iemand weten bang te zijn dat het nú misgaat?
Waldeck: „Dat kan gebeuren als bijvoorbeeld de NVWA net een bedrijf heeft geruimd, omdat er iets met de dieren was. Dat een boer daar helemaal alleen zit en de dierenarts of iemand anders het niet vertrouwt.”
Korterink: „Dan probeer ik heel snel te gaan.”
Dat moet intens zijn.
Korterink: „Het hoort erbij. Ik ben weleens bij een boerderij gekomen in de wetenschap dat er acuut grote zorgen waren over de boer. Toen heb ik de politie gebeld. Dat was maar net op tijd. Maar dat zijn uitzonderingen, mensen die verlies op verlies op verlies meemaken. De bedoeling is dat we er veel eerder bij zijn, en dat kan als mensen op tijd een melding doen. Dan lukt het vaak om boeren weer op weg te helpen.”
Lees ook
‘Vraag als huisarts eens aan de boer hoe het écht gaat’


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/25195325/250226VER_2031867787_ijsland.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/25191637/250226VER_2031867562_gaza.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/25192120/250226DEN_2031575994_debat2.jpg)




/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/23112325/230226MID_2031776749_WEB_HP_ILLU_Japke-denkt-mee_Tomas-Schats.jpg)

English (US) ·