Zij zag de menselijke kant van de mensenschuwe orang-oetan

2 dagen geleden 4

Onaflatend zette primatoloog Biruté Marija Galdikas zich meer dan vijftig jaar in voor de bescherming van orang-oetans, de enige mensaap van Azië. Ze overleed afgelopen dinsdag op 79-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Los Angeles aan de gevolgen van longkanker.

Galdikas was de minst bekende van de zogenoemde trimates, ofwel de Leakey’s Angels. Dat waren drie jonge vrouwen die in de jaren vijftig en zestig ieder hun eigen mensapensoort in het wild onderzochten en daarna een belangrijke rol gingen spelen bij de bescherming ervan. De bekendste was Jane Goodall die, gestimuleerd door de beroemde Britse paleo-antropoloog Louis Leakey, in Gombe National Park in Tanzania wilde chimpansees ging bestuderen. Daarna volgde Dian Fossey die in Congo en later Rwanda het gedrag van wilde gorilla’s in kaart bracht.

Biruté Galdikas werd de derde van Leakey’s Angels. Als kind droomde ze al van een bestaan als ontdekkingsreiziger. Ze werd geboren in Wiesbaden, Duitsland, toen haar Litouwse ouders als emigranten onderweg waren naar Canada. Ze groeide op in Toronto en ging studeren in de Verenigde Staten waar ze in 1969 haar masterdiploma behaalde aan de University of California in Los Angeles. Daar ontmoette ze Louis Leakey en kreeg zij de kans de mensenschuwste van het mensapentrio van nabij te bestuderen.

Als 25-jarige streek Galdikas in 1971 met haar man Rod Brindamour neer aan de oever van de Sekonyer-rivier in het moerassige bos van Kalimantan in Indonesië, op het eiland Borneo, om daar het gedrag van wilde orang-oetans te bestuderen. Ze stichtten er het onderzoeksstation Camp Leakey, dat nog altijd bestaat.

Orang-oetanexpert Carel van Schaik, emeritus evolutionaire antropologie van de Universiteit van Zürich, roemt Galdikas als pionier van het veldonderzoek. „Het is achteraf makkelijk te onderschatten hoe bijzonder die eerste jaren waren. Niemand wist of je de dieren zomaar in het bos kon volgen, eerdere pogingen hadden niet gewerkt. Ze hadden nauwelijks geld en leefden in een primitief hutje.”

„Met enorme wilskracht was zij een van de eersten die het reilen en zeilen van wilde orang-oetans beschreef. Ze ontdekte bijvoorbeeld hoe lang de jongen afhankelijk blijven van hun moeder, met geboorte-intervallen van zo’n 7,5 jaar. Later onderzoek bevestigde dat.”

Galdikas deed „mooi en baanbrekend werk”, beaamt ook Serge Wich, primatoloog verbonden aan de Liverpool John Moores University. „Ze was de eerste die langetermijndata over wilde orang-oetanpopulaties verzamelde en precies in kaart bracht wat ze aten, hoe ze hun nesten bouwden en hoe de sociale structuur van families in elkaar zat.”

Ze was hoogleraar aan de National University of Jakarta, de Simon Fraser University in Canada en de University of British Columbia. Galdikas schreef drie boeken over haar werk in de jungle, waarvan het eerste, Reflections of Eden uit 1995, het invloedrijkst is geweest.

De grote verdienste van Galdikas lag vooral in de natuurbescherming, zegt Van Schaik. „Ze benadrukte altijd hoe menselijk de orang-oetans waren en hoezeer ze bijzondere, haast mystieke ervaringen had in hun nabijheid, en wist daarmee veel mensen te fascineren en voor deze bijzondere dieren enthousiast te maken.” Mede door haar inspanningen werd Tanjung Puting in 1983 een nationaal park, en in 1986 richtte Galdikas de Orangutan Foundation International op.

Geheel onomstreden was ze daarbij niet, zegt Van Schaik. „Ze was actief in de rehabilitatie van jonge dieren die gevangen waren en daarna bij mensen hadden gewoond – een activiteit die bol staat van conflicten tussen de activisten en veldwerkers onderling en met de autoriteiten. Maar omdat orang-oetans natuurlijk een geweldig fundraising-instrument zijn voor behoud van het regenwoud, kon ze daarmee ook bescherming van habitat ondersteunen, onder andere van gebieden waar ‘ex-pets’ werden vrijgelaten om nieuwe populaties op te bouwen.”

Biruté Galdikas (links) en haar collega Dianne Taylor-Snow brengen in 1990 een aantal jonge orang-oetans per vliegtuig terug naar Indonesië. De dieren waren als smokkelwaar aangetroffen op de luchthaven van Bangkok, in kratten met als eindbestemming Belgrado.

Foto Getty Images

Twintig jaar geleden kwam Galdikas onder vuur te liggen van collega-wetenschappers omdat ze bij het uitzetten van voormalige huisdier-orang-oetans te roekeloos was geweest. Door genetisch en morfologisch onderzoek was intussen komen vast te staan dat orang-oetans feitelijk uit twee aparte soorten bestaan, Pongo abelii van Sumatra en Pongo pygmaeus van Borneo. Op Borneo worden ook nog eens drie ondersoorten onderscheiden, die ieder hun eigen niet-overlappende leefgebied hebben. Galdikas en Brindamour zetten tussen 1971 en 1985 meer dan negentig gerehabiliteerde orang-oetans uit in het bos.

Genetisch onderzoek, waaraan Galdikas manhaftig haar medewerking verleende, toonde aan dat er in die periode zeker twee Sumatraanse vrouwtjes waren uitgezet, die samen 22 hybride nakomelingen hadden gekregen. Dat was waarschijnlijk het topje van de ijsberg.

Maar ook om andere redenen was er kritiek, vertelt Wich. „Veel andere initiatieven zijn gestopt met het uitzetten van gevangen dieren in de natuur vanwege het risico op het verspreiden van ziektes en de mogelijke verstoring die het geeft in de sociale structuur van wilde populaties. Maar Galdikas is er altijd mee doorgegaan.” In totaal zette ze gedurende haar leven wel 450 gevangen dieren terug in de natuur.

Orang-oetans zijn in Indonesië nog altijd bedreigd, vertelt Wich. „Hun leefgebied wordt kleiner door boskap, en er is helaas ook nog altijd wel wat jacht op de dieren. Aan de randen van hun leefgebied worden ze ook wel gedood als ze in conflict komen met mensen in de bewoonde wereld. De situatie heeft zich nog niet gestabiliseerd, nog steeds raken leefgebieden verder gefragmenteerd.”

Bijzonder aan Galdikas is dat ze vanaf het begin de samenwerking zocht met de inheemse bevolking, de Dajaks, vertelt Wich. „Het was haar overtuiging dat bescherming niet zou slagen als er niet ook steun voor was vanuit de lokale gemeenschap. Ze betrok in de jaren zeventig al Indonesische studenten bij haar onderzoek. Die vormen nu, zoveel jaar later, een netwerk van mensen die voor universiteiten en overheid werken in wie haar gedachtengoed voortleeft. Dat is een mooie nalatenschap.”

Lees het hele artikel