Zinnen die in hun eentje al een roman zijn

2 dagen geleden 5

Omdat een boekenkastjesjager soms ook iets van de omgeving wil zien, maakte ik een ommetje en zo belandde ik in de schaduw bij een ANWB-paddenstoel waar zich de ene na de andere fietser meldde, verdwaald in een poging om om Ommen heen te fietsen. Ik kon niet helpen; ik kende alleen de weg terug naar het boekenkastje waar ik even eerder Mijn zuster Antigone van Grete Weil had gehaald, vertaald door Margot Klaarhamer en 44 jaar geleden door Roelof cadeau gedaan aan Jacqueline, voor haar 21ste verjaardag.

Wij, jongens uit het dorp Amsterdam, kennen Weil (1906-1999) van Tramhalte Beethovenstraat (1963), over het Amsterdam van kort voor en kort na de bezetting waar zij met haar man belandde nadat ze voor de nazi’s uit Duitsland waren gevlucht. In haar geboorteland was Meine Schwester Antigone haar doorbraak naar een groot publiek.

De vertelster is een schrijfster op leeftijd, maar eentje die nog weinig aan aan vertelkracht heeft ingeboet: „Ik word wakker. Denk snel, ongecontroleerd, vol vreugde: Vandaag begint alles. Maar ik weet niet wat alles noch wat beginnen zou moeten betekenen. De gedachte doet echter goed, ik geniet ervan totdat ik helemaal wakker ben en inzie dat er niets meer begint, maar alles […] het einde tegemoet glijdt.” Niet dat er vervolgens veel afgegleden wordt; Mijn zuster Antigone is een roman die je als lezer weinig mogelijkheden tot ontsnapping biedt.

„Waarom, in godsnaam, wil ik een boek schrijven?”  vraagt de vertelster zich af. Verderop schrijft ze over haar eerdere boeken dat ze die niet meer zo belangrijk vindt „als ik ze eens belangwekkend heb willen vinden toen ik nog geloofde dat elke overlevende een getuige moest zijn”. (Let op dat subtiele „heb willen vinden” in plaats van „heb gevonden”.)

Intussen is Mijn zuster Antigone wel degelijk een imposante getuigenis. Bijvoorbeeld van de onwerkelijke gesprekken die de hoofdpersoon heeft gevoerd met de bezettingsautoriteiten toen haar man Waiki was afgevoerd: „Internering tot het einde van de oorlog. Beslist niet aangenaam, maar altijd nog beter dan aan het front je nek uit te moeten steken.” Inderdaad, zegt de nazi (die later in de Bondsrepubliek een fijne loopbaan zou hebben), dat uw man een jood is, „bemoeilijkt de situatie”. Niet veel later wordt Waiki in Mauthausen vermoord.

Het boek dat Weil haar hoofdpersoon laat schrijven, gaat over Antigone: de vrouw die niet oud is maar jong en vooral degene die wél in verzet kwam toen Kreon – vertegenwoordiger van het Befehl ist Befehl uit de Griekse oudheid – haar verbood om haar broer te begraven.

De vertelster verwijt zichzelf te weinig verzet te hebben gepleegd. Ze werkte voor de Joodse Raad om te voorkomen dat zij – en wellicht daarna haar moeder – afgevoerd zou worden, waar ze foto’s maakte van mensen voor ze op transport werden gesteld, de „armsten der armen” eerst: „Ik fotografeer, geen stralende kinderen meer voor de ouders, geen huilende voor mezelf, maar kinderen met grote, ernstige, oeroude ogen, volwassenen met mijn eigen ogen, alleen zijn de mijne blauwgrijs en niet bruin en overschaduwd.” Inderdaad: Weil schrijft zinnen die in hun eentje al een roman zijn.

Lees het hele artikel