25 jaar huwelijk voor iedereen. Hun trouwfoto’s staan nu in schoolboeken

2 dagen geleden 3

Er was taart die nacht, en natuurlijk viel die taart op. Op botercrème met roze marsepein stonden acht poppetjes. Zes figuren droegen een pak en vlinderstrik, twee poppetjes hadden lang haar en een jurk. Foto’s van de bruidstaart haalden voorpagina’s over de hele wereld.

De taart werd aangesneden door de vier stellen die op 1 april 2001 om middernacht waren getrouwd op het Amsterdamse stadhuis. Hun namen: Dolf Pasker en Gert Kasteel, Hélène Faasen en Anne-Marie Thus, Peter Lemke en Frank Wittebrood en Ton Jansen en Louis Rogmans. Zij waren de allereerste gay stellen ter wereld die trouwden. Het Nederland van euthanasie, sekswerk en softdrugs was het eerste land waar ‘het homohuwelijk’, zoals dat in de volksmond heette, werd ingevoerd.

Het had wel iets van de Oscaruitreikingen, schreef NRC, zo smulde de wereldpers van het huwelijk. „De sterren stappen uit, poseren uitgebreid en schrijden naar binnen. Alleen de limousines zijn vervangen door vier Volkswagen Kevers.”

Hoe kwam het zover? Oud-politicus Henk Krol organiseerde in 1977 een benefiet om een advertentie in Amerikaanse media te bekostigen tegen zangeres Anita Bryant – zij vond homoseksualiteit „zondig”. Krol haalde meer geld op dan nodig en begon met een deel van dat geld een stichting die streed voor ‘gelijke relatierechten’.

Gert Kasteel en Dolf Pasker bij hun huwelijk in 2001.

Foto Maurice Boyer

Krol was destijds hoofdredacteur van de Gaykrant. Daarin werd jarenlang voor het huwelijk geijverd, nadat jurist Jan Wolter Wabeke had geconcludeerd dat een wetswijziging kansrijk leek vanwege het ‘universele karakter’ van het huwelijk. Wabeke maakte concept-wetsontwerpen en voerde juridische procedures, Krol deed het lobbywerk.

Trouwen is ’truttig’

D66’er Boris Dittrich, in 1994 net gekozen als Kamerlid, las de Gaykrant. „Toen mij werd gevraagd wat ik als openlijk homoseksueel politicus voor homo’s wilde doen, zei ik: openstelling van het huwelijk”, aldus Dittrich. Hij stuitte op „veel weerstand”. Zo was belangenorganisatie COC aanvankelijk tegen (trouwen was ’truttig’), vroegen Kamerleden zich af wat de toegevoegde waarde van het ‘homohuwelijk’ was als dat alleen in Nederland gold, en was er protest bij SGP, ChristenUnie en een deel van het CDA . Wim Kok (PvdA) en Frits Bolkestein (VVD) waren eigenlijk ook tegen, zegt Dittrich, „maar in de onderhandelingen om het regeerakkoord van Paars-II gaven ze het ons toch”.

Staatssecretaris Job Cohen (PvdA) loodste de wetswijzing door Eerste en Tweede Kamer. „Jaren daarvoor zat ik eens met Boris in de trein, ik vroeg waarom hij dit zo graag wilde. Wij hetero’s hielden juist op met trouwen”, zegt Cohen. Dittrich: „Als je niet wil trouwen trouw je niet, maar je kan anderen de mogelijkheid niet ontzeggen.”

Eind 2000 werd er over de wet gestemd. Rond die tijd raakte bekend dat Cohen burgemeester van Amsterdam werd. Cohen sprak met Krol af dat de Gaykrant stellen zou zoeken die direct bij het ingaan van de wet wilden trouwen in Amsterdam.

De taart met de bruidspoppetjes.

Foto Maurice Boyer

‘Gevoel van rechtvaardigheid’

Op de avond van 31 maart 2001 was de raadzaal bestrooid met rozenblaadjes. Henk Krol zat met zweterige handen op de tribune, te hopen „dat alles goed zou gaan”. „Het had zo lang geduurd, het was de mooiste dag van mijn leven.”

Burgemeester Cohen hield vlak voor middernacht een toespraak waarin hij verhaalde over het „ongelofelijke gevoel van rechtvaardigheid” dat iedereen vanaf 1 april kon trouwen. „Het applaus duurde wel twee minuten, tot het middernacht was, heel indrukwekkend”, herinnert Dittrich zich.

Op 1 april is er opnieuw taart op het Amsterdamse stadhuis, de gemeente viert dan dat lhbtiq+-koppels 25 jaar het recht hebben om te trouwen. De stellen van weleer worden gefêteerd, tegelijk trouwen drie ‘nieuwe’ koppels. In een kwarteeuw zijn ruim 36.000 huwelijken gesloten tussen mensen van hetzelfde geslacht, blijkt uit CBS-data. Van de 2.400 lhbtiq+-stellen die in 2001 trouwden, zijn er 1.100 nog samen. In veertig landen mogen lhbtiq+’ers nu trouwen. In 194 andere landen, waaronder EU-lidstaten Italië en Polen, is dat verboden.

NRC sprak met twee van de stellen die 25 jaar geleden als eersten trouwden.

Gert Kasteel en Dolf Pasker in 2026.

Foto Mona van den Berg

Gert Kasteel en Dolf Pasker

De huwelijksfoto die op de piano in hun huis in Weesp staat, oogt wat verbleekt. „Een wijder kostuum was toen in de mode”, wijst Gert Kasteel (64).

Dolf Pasker (66) en hij werden rolmodellen, een beetje tegen wil en dank. Hun trouwfoto’s belandden in schoolboeken. Op straat kregen ze lof. Een keer mochten ze zelfs jureren in Drag Race Holland, een televisiecompetitie voor dragqueens.

Gert: „Het is een rol die ons is toegevallen, een plezierige.”

Dolf: „We zijn geen experts in homorechten, maar wel ervaringsdeskundigen.”

We zijn geen experts in homorechten, maar wel ervaringsdeskundigen

Het gesprek komt al snel op repressie. Homoseksualiteit is verboden in zeker 63 landen. In zeven landen geldt de doodstraf, blijkt uit cijfers van belangenorganisatie ILGA.

Dolf: „Weet je wat interessant is? Sommige Afrikaanse landen hebben de wetgeving van hun oude kolonisator overgenomen, waaronder een verbod op homoseksualiteit.”

Gert: „We zouden het niet over politiek hebben.”

Dolf: „Hoezo niet? Ik mag net zo politiek zijn als ik wil.”

Gert: „Het gaat om onze persoonlijke beleving, dat we blij zijn met gelijke rechten. Het positieve benadrukken levert meer op dan het gevecht aangaan. Al wordt de buitenwereld als homo wel bedreigender. Niet in Nederland, hier lopen we vaak arm in arm over straat. Nooit een onvertogen woord gehoord, ook vroeger niet. Maar in Moskou of Boedapest kan ik niet zijn wie ik wil zijn.”

Kasteel en Pasker zijn net terug van vakantie in Gambia waar op homoseksualiteit levenslange gevangenisstraffen staan.

Dolf: „Vaak wordt ons gevraagd of we broers zijn, bijvoorbeeld op de camping in Frankrijk. Ik zeg dan dat we getrouwd zijn. ‘Helemaal oké’, reageren mensen. Maar vroegen mensen in Gambia ernaar, dan zeiden we dat we broers zijn.”

Gert: „Het voelde beklemmend in Gambia. Alsof ik mezelf moest verstoppen. Het herinnerde me soms aan mijn jeugd op de Veluwe. Ook daar moest ik een deel van mezelf verstoppen. Ik werd gepest, dacht dat ik de enige was. Ik trouwde met een vrouw. Pas op mijn 27ste kwam ik uit de kast. Ik kreeg ruimte in mijn hoofd, ging studeren. Een paar jaar later kwam ik Dolf tegen in een Amsterdamse kroeg.”

Dolf: „Ik nodigde je uit om bij mij te eten.”

Gert: „En daarna nog eens. Je had twee keer hetzelfde gekookt!”

Dolf: „Een paar maanden later trok ik bij hem in.”

Gert: „Met hem wil ik oud worden, dat gevoel had ik nooit eerder bij iemand gehad. We dachten allebei: dit wordt wel wat. Ik denk ook dat we samen oud worden.”

Dolf: „We zijn al oud, schat.”

Gert: „Dat we samen stokoud worden. Deze winter is hij heel ziek geweest, longontsteking. Gaat-ie er toch nog vandoor, dacht ik toen even.”

Dolf: „Als ik geen antibioticapillen had gehad, was ik er niet meer geweest.”

Dolf loopt even de woonkamer uit. Hij was ggz-behandelaar. Kasteel was inkoopmanager. Beiden zijn gestopt met werken. Dolf is ook zaaddonor geweest.

Dolf: „Ik heb elf donorkinderen. Zes hebben contact met me gezocht. Met Pasen komen er een paar lunchen.”

Gert: „Zijn zoon van zeventien lijkt qua uiterlijk als twee druppels water.”

Dolf: „Als je zaad gaat doneren, moet je in een kamertje een potje vullen. Er lag alleen heteroseksuele porno. De volgende keer nam ik een boekje met homoseksuele porno mee, dat heb ik laten liggen. Toen ik nog eens kwam, hadden ze een heel mapje homoporno. Vond ik geestig.”

Een nichtje had eens op Facebook gezet hoe trots ze op haar getrouwde ooms was. Daar kwamen niet alleen positieve reacties op, zegt Gert. „Ik heb het uitgezet, wilde het niet weten.”

Als ik een foto zie van Jetten die zoent met zijn vriend, ben ik juist apetrots op onze homoseksuele premier

Dolf: „Het blijft raar dat mensen iemand haten die ze niet kennen.”

Gert: „Rob Jetten moet iedere week aangifte doen. Als ik een foto zie van Jetten die zoent met zijn vriend, ben ik juist apetrots op onze homoseksuele premier. Laatst kwam een vriend eten. Hij zei: jullie gaan natuurlijk niet uit elkaar, jullie zijn rolmodellen. Vijfentwintig jaar is lang, hoor. Als ik echt niet meer met hem wilde, was ik gewoon gescheiden.”

Hélène Faasen en Anne-Marie Thus in 2026.

Foto CHRIS KEULEN

Hélène Faasen en Anne-Marie Thus

Aan een gevel langs de Maas bij Maastricht wapperen een regenboogvlag (de progress-variant) en een roze-paarse (biseksualiteit) vlag. Binnen serveren Hélène Faasen (59) en Anne-Marie Thus (56) chocoladewafeltjes en thee.

Hélène: „Anne-Marie was mijn eerste liefde, ik was 29.”

Anne-Marie: „We werden gekoppeld.”

Hélène: „Een blind date. We zijn snel gaan samenwonen, gingen een geregistreerd partnerschap aan. Daarna werd zij zwanger. We hebben op z’n lesbisch doorgepakt.” (lacht)

Hélène had de Kamerdebatten rondom openstelling van het huwelijk al gevolgd. Toen Anne-Marie in haar leven kwam, wilde Hélène zelf ook trouwen. Een geregistreerd partnerschap vond ze alsof iedereen in de hoofdklasse voetbalde, en zij alleen op lager niveau mocht spelen. Ze reageerde op de oproep in de Gaykrant om te tonen hoezeer lhbtiq+-mensen zaten te wachten op de mogelijkheid om te kunnen trouwen.

Hélène: „En over m’n lijk dat er alleen mannen zouden trouwen. Het werd een mooie dwarsdoorsnee van de gemeenschap.”

Anne-Marie: „Wij waren de lesbo’s met een kind.”

Hélène: „Toen de wet er doorheen was, ging het snel. Binnen drie weken moesten we jurken uitzoeken. Als we elkaar wilden vasthouden, konden we niet elk een hoepeljurk dragen. Met zulk getuttel waren we bezig.”

Hun jurken gingen naar het Fries Museum, hun trouwringen naar het Noordbrabants Museum. Zijzelf stonden buitenlandse pers te woord, als er ergens discussie over het homohuwelijk was.

Hélène: „Een Japanse correspondent zag hoe we onze buurman begroetten. Hij dacht: die moet dan ook wel homo zijn. De buurman was hetero. Die correspondent was verbaasd dat dat zomaar kon. Dat soort schrijnend, klein leed, blijft me bij.”

Hélène Faasen en Anne-Marie Thus bij hun huwelijk in 2001.

Foto Maurice Boyer

Anne-Marie: „Ik heb ‘Meer dan gewenst’ opgericht, een stichting voor regenboogouderschap. Ik zat ook bij NELFA, een internationale belangenvereniging. Op een van hun bijeenkomsten, vlak bij Parijs, werd ik aan de groep voorgesteld als de eerste lesbische vrouw ter wereld die was getrouwd. Mensen klapten, hadden tranen in hun ogen. Toen drong het symbolische belang van ons huwelijk pas echt tot me door. In Nederland gaat het goed, maar we hebben nog een hele lijst te gaan. Neem vluchtelingen, hoe kunnen zij nu aan de IND bewijzen dat ze homoseksueel zijn? En hoe intriest is het dat, hoewel we steeds meer één Europa zijn, landen als Hongarije en Italië het zelf mogen weten als het om lhbt-rechten gaat?”

Ik werd voorgesteld als de eerste lesbische vrouw ter wereld die was getrouwd. Mensen klapten, hadden tranen in hun ogen

Hélène tegen NRC: „Straks ga jij vragen of we toen optimistisch naar de toekomst keken. Dat deden we, in 2001. De tijdgeest was anders. We kwamen uit het aidstijdperk. In Amsterdam waren de Gay Games geweest – je kan je niet voorstellen hoe het was om op straat zoveel mensen te zien die ook gay waren.”

Anne-Marie: „Lhbti!”

Hélène: „Oh ja, lhbti. Nederland liep voorop. Nu zijn we niet meer zo optimistisch. Een kleine groep schopt herrie door geweld op straat te plegen of op sociale media te schelden. Maar blijft de meerderheid zwijgen, dan kan die kleine groep snel groter worden, zeker met hulp van sociale media en fake news.”

Uit SCP-onderzoek blijkt dat Nederlanders positiever zijn gaan denken over gender- en seksuele diversiteit – behalve als het gaat om het openlijk tonen van intimiteit. Bovendien stagneert de acceptatie.Daarnaast tonen CBS-cijfers aan dat queer mensen een slechtere mentale gezondheid hebben. In de politiek slepen discussies voort over conversietherapie, transgenderzorg en meerouderschap. Wordt het beter?

Hélène: „Niet vanzelf. Laatst hoorde ik in een supermarkt de ene vakkenvuller tegen de andere ‘homo’ roepen. Ik vroeg hem waarom. Hij had er nooit bij stilgestaan dat dat kwetst, antwoordde hij. Het is noodzakelijk om elkaar aan te blijven spreken.”

De vier kersverse echtparen in 2001.

Foto Maurice Boyer

Anne-Marie: „Wij zijn gesetteld, maar ergens op de wereld loopt nu iemand rond waar we naast en voor moeten gaan staan. Anderen hebben het voor ons gedaan, bij het geregistreerd partnerschap, bij het huwelijk. Wij zijn geen tweederangsburgers. Lhbti-rechten zijn mensenrechten. Als je de rechten van één minderheidsgroep schendt, is het daarna makkelijk de rechten van ook een volgende minderheid aan te pakken.”

Het is noodzakelijk om elkaar aan te blijven spreken. Wij zijn de kanarie in de kolenmijn

Hélène: „Wij zijn de kanarie in de kolenmijn.”

Vooruitgang zien ze ook. Het gesprek komt op de ziekte van Anne-Marie.

Anne-Marie: „Ik heb kanker. Hélène gaat steeds mee naar het ziekenhuis, als echtgenote. Als er iets met mij gebeurt, kan zij beslissen. De artsen betrekken haar overal bij. Dat was wel anders in 2000. We waren nog niet getrouwd, ik moest bevallen van onze zoon. Als er toen iets met mij of de baby was gebeurd, had Hélène niet automatisch iets te zeggen. Zo krom. We moesten speciaal volmachten regelen.”

Hélène: „Ik moest onze zoon adopteren. Fijn dat dat nu beter geregeld is, maar meerouderschap is dat nog steeds niet. Dat hoort nou eindelijk eens te gebeuren.”

Lees ook

Eerste homo-echtparen dolgelukkig en trots

Lees het hele artikel