Daadkracht heeft het minderheidskabinet niet, maar de oppositie maakt ook geen vuist

2 uren geleden 1

Het was een „heugelijk feit”, zei Tweede Kamerlid Femke Wiersma (BBB) toen ze in maart een motie indiende waarin ze voorstelde dat patiënten bij een dure behandeling niet in één klap hun hele eigen risico moeten betalen. Naast haar naam stond namelijk óók die van Ines Kostic van de Partij voor de Dieren onder het voorstel. Dit is „verbinding”, aldus Wiersma: ideologische tegenpolen kunnen heus samenwerken. 

Terwijl Wiersma het heuglijk vindt, zijn zulke gelegenheidscoalities juist spannend voor het minderheidskabinet. De coalitie heeft maar 66 zetels, dus als de oppositie zich verenigt heeft die een meerderheid. Informateur Rianne Letschert (D66) zei bij de formatie al dat de coalitie „een goed koffieapparaat” moest aanschaffen. Ze bedoelde: de coalitie moet constant gaan overleggen met de oppositie.

Weten de linkse en (uiterst) rechtse oppositiepartijen zich te verenigen, dan heeft de coalitie een groot probleem. Zoals in het geval van de motie van Wiersma en Kostic leek te gebeuren.

Maar het verloop van dit voorstel laat iets anders zien. Het kabinet raadde de motie af: minister Sophie Hermans (Volksgezondheid, VVD) zag het getrapt betalen van het eigen risico niet zitten. Een groot deel van de oppositie, van Pro tot FVD, van Volt tot SGP – stemde voor. Maar de motie haalde het nét niet. Naast de coalitiepartijen D66, VVD en CDA stemden ook JA21 en de ChristenUnie tegen, genoeg voor 78 zetels. Even spannend voor het minderheidskabinet, maar uiteindelijk legde de oppositie het af. Het is exemplarisch voor de gang van zaken in een minderheidskabinet.

Hoe verlopen de stemmingen in de Tweede Kamer, nu Nederland een minderheidscoalitie heeft? Welke meerderheden ontstaan er, en hoe vaak heeft het kabinet het nakijken? NRC analyseerde de 2.439 stemmingen die in de eerste vier maanden van het kabinet-Jetten in de Tweede Kamer voorlagen. Daarbij is gebruik gemaakt van de Dutch Parliamentary Behaviour Dataset van Tom Louwerse, hoogleraar politiek gedrag aan de Universiteit Leiden. Vier lessen uit het stemgedrag van de afgelopen maanden.

1De coalitie houdt elkaar vast 

    Het leek de afgelopen maanden soms alsof D66, VVD en CDA elkaar met moeite vasthielden. Zij denken bijvoorbeeld anders over de oorlog in Iran, over begrotingsruimte, over vermogensongelijkheid en over het geweld van demonstranten bij asielzoekerscentra. 

    Die tegenstrijdigheden bepalen niet snel de stemmingen in de Tweede Kamer. Daar vormt de coalitie in 85 procent van de gevallen een blok. D66 en VVD wijken het vaakst af, maar stemmen nog altijd in 87 procent van de gevallen hetzelfde, CDA stemt in 92 procent van de gevallen hetzelfde als zowel D66 als VVD. Die percentages zijn vergelijkbaar met andere kabinetten sinds de jaren negentig. 

    Deze coalitie keert daarmee terug naar het oude normaal, na een jaar geruzie van de coalitie van PVV, VVD, NSC en BBB. Die partijen waren het veel vaker dan gebruikelijk oneens: zij stemden maar in 60 procent van de gevallen als blok. Die coalitiepartijen verrasten elkaar constant, de onderlinge communicatie was slecht.

    D66, VVD en CDA zijn ervaren machtspartijen die elkaar goed kennen uit eerdere coalities. Ze verrassen elkaar nauwelijks tijdens Kamerdebatten, want ze weten dat dáár de echte problemen uit voortkomen. 

    2De oppositie verenigen lukt nauwelijks

    Hoe spannend stemmingen voor de coalitiepartijen kunnen zijn, bleek al bij het eerste grote twistpunt van de kabinetsperiode van Jetten, toen de hele oppositie zich verenigde in kritiek op de geplande AOW-bezuinigingen. Uiteindelijk gunden Groep Markuszower en de SGP, hoewel ze kritisch waren op de kabinetsplannen, het kabinet iets meer tijd en voorkwamen zij dat de miljardenbezuiniging direct door een meerderheid werd weggestemd. De teleurstelling bij bijvoorbeeld oppositieleider Jesse Klaver (Pro) was groot. De oppositie had zich tóch uit elkaar laten spelen. 

    Zo gaat het vaak: als de coalitie een blok vormt, krijg die in 98 procent van de stemmingen een meerderheid achter zich. ”De coalitie heeft ook weer niet zóveel extra steun nodig voor een meerderheid”, verklaart Louwerse. „Je hebt bijna de hele oppositie nodig om een voorstel aan te nemen.” 

    Als de coalitie een blok vormt, krijgt ze in 98 procent van de stemmingen een meerderheid achter zich

    Verreweg de meeste voorstellen die de Kamer tijdens de eerste periode van kabinet-Jetten indient, worden met grote meerderheid aangenomen óf verworpen: in bijna de helft van de stemmingen is er een meerderheid van minimaal honderd zetels. Bij de stemmingen waar het er meer om spant, zijn er vaak genoeg partijen die de coalitie steunen. Met name de ChristenUnie (80 procent), SGP (77 procent) en 50Plus (75 procent) steunen de coalitie vrij trouw. Met steun van die kleine fracties heeft de coalitie nog geen meerderheid, maar die is dan al snel binnen handbereik.

    Zolang de oppositie zich niet verenigt, hoefthet kabinet nauwelijks plannen uit te voeren die het niet ziet zitten. In 94 procent van de gevallen volgt de Kamer het oordeel van het kabinet, waarin een minister of staatssecretaris advies geeft over het voorstel.  

    Opvallend is dat het kabinet er vaak zelfs in slaagt om een meerderheid achter zich te krijgen als één van de coalitiepartijen van dat oordeel afwijkt. Zo stemde D66 voor een motie om de mobiele controles aan de Nederlandse grenzen op te schorten. Minister Dilan Yesilgöz (Defensie, VVD), die de motie ontraadde, kreeg alsnog een meerderheid doordat de voltallige rechtse oppositie zich tegen het voorstel keerde.  

    VVD stemde op zijn beurt voor een motie om steun uit te spreken voor de aanval van de VS en Israël op Iran, maar dat voorstel redde het niet omdat D66, CDA en de linkse oppositie tegenstemden. 

      3De coalitie gaat even vaak over links als over rechts 

      Bij de stemmingen waar het er wél om spant, zijn de stemmen van Pro en JA21 cruciaal. Pro helpt de coalitie in één klap aan een meerderheid, als JA21 meestemt is er nog maar één zetel nodig. 

      Er zijn ook andere partijen die de coalitie aan een meerderheid kunnen helpen, maar die zijn daar veel minder toe bereid. De PVV steunt de coalitie bijvoorbeeld maar in de helft van de gevallen – vaak als er al een zeer brede meerderheid is. En de coalitie ziet: PVV-leider Geert Wilders wil het kabinet vaak juist een hak zetten Dat doet hij soms zelfs liever dan zijn eigen plannen verwezenlijken, zoals toen de PVV in de Eerste Kamer tegen de eigen asielwetten stemde. Groep Markuszower, die met 7 zetels ook een sleutelrol kan spelen, is wél constructief. Maar die PVV-afsplitsing is het nauwelijks vaker eens met de coalitie dan de PVV: in 55 procent van de gevallen. 

      Pro en JA21 steunen de coalitie veel vaker: beide in ongeveer 70 procent van de gevallen. Als Pro de coalitie steunt, stemt JA21 in ongeveer de helft van de gevallen juist anders – en andersom. 

      Bij bijna 170 stemmingen was de steun van Pro of JA21 van doorslaggevend belang. Zo werden meerdere moties om de brandstofaccijnzen te verlagen – nadat die waren gestegen door de oorlog in Iran – verworpen doordat Pro samen met de coalitie tegen de verhoging was. Als Pro had zich bij de oppositie had gevoegd, had het kabinet gedwongen kunnen worden miljarden uit te geven aan maatregelen die het niet verstandig vond.

      Pro was ook doorslaggevend bij een motie over de onderhandelingen over de EU-toetreding van Oekraïne: het kabinet én Pro wilden dat die doorgingen, terwijl de uiterst rechtse oppositie dat niet wilde. Dat onderwerp is voor het kabinet van groot belang, nadat onder het kabinet-Schoof de Nederlandse positie in de internationale gemeenschap verslechterde.  

      Met steun van JA21 gingen er een aantal moties van tafel die opriepen om af te zien van bezuinigingen op het sociale stelsel. 

      Deze voorbeelden laten ook zien hoe het kabinet met steun van Pro voorstellen van JA21 wegstemt, en vice versa: Joost Eerdmans van JA21 diende zelf ook een motie in om de brandstofaccijnzen te verlagen, en stemde tegen de motie om de onderhandelingen met Oekraïne voort te zetten. Pro steunde juist de moties tegen de bezuinigingen op het sociale stelsel die het kabinet wil doorvoeren. 

        4Zélf plannen door de Kamer krijgen lukt slecht met wisselende meerderheden

        Het kabinet weet zich met steun van links of rechts te beschermen tegen al te grote aanvallen vanuit de oppositie. Maar zelf beleid doorvoeren is moeilijk.

        Asielwetten werden op pijnlijke wijze door de Eerste Kamer weggestemd en de bezuinigingen op Sociale Zaken lijken geen meerderheid te krijgen. Zeker tegen de bezuinigingen van het kabinet verenigt de oppositie zich makkelijker, ziet Louwerse. „Het is makkelijker om het eens te worden over wat je níet wil, dan over wat je wel wil.” 

        Binnen de coalitie ziet men: met wisselende meerderheden lukt het niet goed om pijnlijke hervormingen voor elkaar te krijgen. En dát was wel de belofte van deze drie partijen. En dus wordt nagedacht over een breed akkoord, in ieder geval in aanloop naar Prinsjesdag in september.

        Duidelijk begint voor de coalitie te worden dat Pro misschien wel onmisbaar is, zélfs al staat de partij sociaaleconomisch heel ver af van de coalitie. Pro wil de stikstofplannen van het kabinet steunen, als die niet verder worden afgezwakt. Dat terwijl bijvoorbeeld JA21 juist wel afzwakking wil en de coalitie ook al bijna aan een meerderheid in de Tweede Kamer helpt. Feit blijft dat het kabinet met JA21 niet in de buurt komt van een meerderheid in de Eerste Kamer, terwijl Pro veel senaatszetels meebrengt. Daarmee is Pro in geval van stikstof én voor bredere akkoorden haast bij uitstek onmisbaar.

        Met name voor de VVD is dat een voortschrijdend inzicht. Onder partijleider Dilan Yesilgöz is Pro uitgesloten tijdens de verkiezingen en de formatie, maar voor dit minderheidskabinet zijn de zetels van die partij tóch erg belangrijk.

        Lees het hele artikel