Het is een standaardformulering in de parlementaire democratie: „De Kamer, gehoord de beraadslaging.” Met die woorden begint elke motie. Vervolgens somt een Kamerlid op wat hij of zij heeft geconstateerd en overwogen, om te eindigen met „verzoekt de regering om…”. Nagenoeg elke dinsdag ligt er een lange lijst met dit soort wensen klaar bij de voorzitter van de Tweede Kamer, die in een moordend tempo de vaak tientallen verzoeken in stemming brengt. Bij handopsteking – en soms bij een hoofdelijke stemming verbaal – geven de 150 Kamerleden te kennen of ze voor of tegen een motie zijn. Een voor buitenstaanders chaotisch proces, en voor politici een uitgelezen kans om hun soms vergaande wensen om te zetten in een concrete Kameruitspraak voorzien van een meerderheid. Om vervolgens over te gaan „tot de orde van de dag”.
Ook afgelopen dinsdag werd er een berg moties door de Kamer behandeld, en eentje daarvan was om meerdere redenen interessant. Vandaag [donderdag] stemt de Tweede Kamer na jaren van debat eindelijk over ‘Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten’ (kortweg Wet werkelijk rendement box 3). En ter voorbereiding daarop moesten nog enkele tientallen wijzigingsvoorstellen behandeld worden. Zo ook de motie van het lid Henk Vermeer van de Boer Burger Beweging.
Vermeer riep de regering op „zo snel als mogelijk maar uiterlijk bij het Belastingplan 2029 een box 3-stelsel gebaseerd op vermogenswinstbelasting te presenteren, inclusief dekkingsopties”. De stemming leidde tot een bijzondere uitslag: de fracties van 50PLUS, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, de PVV, FVD en Groep Markuszower stemden voor, de kleinst mogelijke meerderheid van 76 zetels. Opmerkelijk: de VVD stemde dus voor, maar CDA en D66, de aanstaande coalitiepartners van de VVD, stemden samen met een grote groep linkse partijen tegen. Tevergeefs: het kabinet-Jetten moet uiterlijk op 19 september 2028 (Prinsjesdag) een plan presenteren voor een volledige vermogenswinstbelasting.
Dubbele fictie
Waarom is dit relevant? Daarvoor is het goed om even terug te blikken. Al een kleine tien jaar worstelt de Tweede Kamer met de vraag hoe de belasting op vermogens geregeld moet worden. Ooit, in 2001, werd een systeem bedacht dat vermogensrendementsheffing heette en uitging van een ‘fictief’ rendement op vermogen van 4 procent. De gedachte was destijds dat iedereen die 4 procent makkelijk zou moeten kunnen halen, om daar vervolgens 30 procent belasting over te betalen. Per saldo dus 1,2 procent belasting over het vermogen.
Die 4 procent bleek halverwege het tweede decennium van deze eeuw inderdaad een fictie. Als gevolg van de kredietcrisis en de eurocrisis werden de rentes van centrale banken verlaagd tot onder nul, waarmee ook de spaarrentes extreem laag werden. Staatssecretaris Eric Wiebes (Financiën, VVD) introduceerde daarom in 2016 een nieuwe manier van vermogens belasten: hij knipte het vermogen op in verschillende categorieën: over spaargeld werd een lager rendement verondersteld dan over beleggingen. Omdat de fiscus niet wist hoe mensen hun vermogen hadden verdeeld, werd er opnieuw uitgegaan van een fictie: afhankelijk van de hoogte van iemands vermogen, veronderstelde de fiscus een bepaalde verdeling over de categorieën. Hoe meer vermogen, des te groter het veronderstelde deel dat belegd werd.
Die dubbele fictie (zowel het rendement als de verdeling waren veronderstellingen) bleek onhoudbaar. In het roemruchte Kerstarrest van 24 december 2021 trok de Hoge Raad na een ellenlange procedure van klagers het kleed vandaan onder de manier waarop de overheid vermogens belastte. Die was in strijd met het eigendomsbeginsel zoals vervat in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mensen en daarbij ook discriminatoir. Het resultaat: een schadepost van 14 miljard euro en de overheid kon geen belasting op vermogens meer heffen. Toenmalig staatssecretaris van Financiën Marnix van Rij (CDA) moest een oplossing verzinnen om zowel de geleden schade (de ten onrechte geheven belasting uit het verleden) te compenseren. En hij moest een nieuw voorstel bedenken voor hoe er dan wél belasting op vermogen kon worden geheven.
Winst versus aanwas
Na veel gepuzzel kwam er een wetje dat het rechtsherstel van de gedupeerde vermogenden moest regelen, en werd er gelijktijdig doorgewerkt aan de Wet Werkelijk Rendement box 3, die op termijn de vermogensbelasting moest regelen. Dat gebeurde langs twee lijnen: een vermogensaanwasbelasting en een vermogenswinstbelasting.
Die eerste categorie gaat gelden voor ‘liquide’ vormen van vermogen (spaargeld, aandelen, obligaties, crypto) en heft belasting over zowel de winst (rente, dividend) op dat vermogen als de aanwas, de waardestijging (of -daling). Simpel gezegd bekijkt de fiscus aan het eind van het jaar hoeveel het spaargeld of de beleggingen in waarde zijn toe- of afgenomen en hoeveel rente en rendement erover is uitgekeerd. Dat totaalbedrag wordt vervolgens belast, tegen inmiddels 36 procent.
De vermogenswinstbelasting is de uitzondering op de regel en geldt voor minder liquide vormen van beleggingen. Bezitters van vastgoed, maar ook mensen die investeren in een familiebedrijf of een start-up, hoeven aanvankelijk alleen over de vermogenswinst belasting te betalen. Pas bij verkoop van het vastgoed of het afstoten van het aandeel in het bedrijf wordt gekeken naar de waardestijging of -daling ten opzichte van het moment van aankoop en wordt over dat bedrag belasting geheven. De reden voor de uitzondering: de waardestijging van bijvoorbeeld vastgoed kan in een bepaald jaar zo hoog zijn, dat mensen niet genoeg geld in de portemonnee hebben om de daardoor zeer hoge belastingheffing te kunnen voldoen. In theorie zou deze groep belastingplichtigen bepaalde vermogensbestanddelen moeten verkopen om genoeg geld te hebben om de belasting te betalen. In de praktijk, zo toonde Financiën al eerder aan, is het probleem uiterst klein en vaak niet eens veroorzaakt door de belastingheffing.
Van Rij diende het voorstel in 2023 in met de nadrukkelijke opdracht aan de Kamer de wet uiterlijk in maart 2026 in stemming te brengen. Pas dan zou de Belastingdienst voldoende tijd hebben om de Wet werkelijk Rendement vanaf belastingjaar 2028 daadwerkelijk klaar voor uitvoering te hebben. Elk jaar uitstel zou de staat daarbij nog eens 2,4 miljard euro aan inkomsten schelen. En, het moet gezegd, ondanks twee verkiezingen (2023 en 2025) en vier wisselingen van de wacht bij Financiën (na Van Rij volgden twee NSC’ers (Folkert Idsinga en Tjebbe van Oostenbruggen) en een BBB’er (Eugène Heijnen), die nu opgevolgd gaat worden door een D66’er (Nathalie van Berkel)), heeft de Kamer de deadline nipt gehaald. Vandaar de stemming deze donderdag.
Techniek versus politiek
Het eindresultaat dat deze donderdag in stemming komt (en op een meerderheid kan rekenen) is echter een lelijk eendje geworden. Juist de hybride benadering van vermogen (deels winst, deels aanwas) zorgt voor veel ongemak bij veel Kamerfracties. De afgelopen maanden moest het ministerie van Financiën talloze vragen beantwoorden over wat de (financiële) effecten zijn van dit tweekoppige vermogensmonster. Meest opmerkelijke uitkomst: door de uitzondering voor vastgoed en andere minder liquide beleggingen loopt de schatkist de komende dertig jaar 42 miljard euro mis. De mogelijkheid om de belasting over de vermogensaanwas uit te blijven stellen, een trucje dat ook al veel in ondernemersbox 2 gebruikt wordt en jaarlijks vele miljarden aan belastingderving kost, komt dus met een hoge prijs.
Voor veel linkse partijen was het daarom helder: de Wet Werkelijk Rendement is een tussenoplossing op weg naar een eerlijker vermogensbelasting, ook voor vastgoedbezitters en beleggers in start-ups en familiebedrijven. Ook het ministerie van Financiën heeft een voorkeur voor een volledige vermogensaanwasbelasting, al was het maar omdat die eenvoudiger is in de uitvoering en omdat fiscus én belastingplichtigen niet eindeloos gegevens hoeven te bewaren over aan- of verkoop van vermogen. Maar aan de rechterkant van de Kamer ontstond juist een groeiend enthousiasme om ook waardestijging op de liquide beleggingen pas te belasten op het moment dat ze verkocht worden. In het coalitieakkoord van D66, VVD en CDA staat cryptisch dat de nieuwe coalitie zich inzet om het nieuwe hybride stelsel door te ontwikkelen naar „een vermogenswinstsystematiek” en verder met een „hervormingsagenda” komt voor het hele stelsel van inkomstenbelasting (waar box 3 binnen valt).
En daarmee zijn we terug bij de stemming van afgelopen dinsdag. Nog voordat het nieuwe kabinet is aangetreden, verzilvert de rechterkant van de Kamer de vage terminologie uit het coalitieakkoord en legt daarmee een hypotheek op de speelruimte van de nieuwe staatssecretaris van Financiën. Die heeft ineens geen ruimte meer om af te wegen welk van de twee routes de beste manier van vermogens belasten oplevert, maar móet door op de weg van de vermogenswinstbelasting. Belastingen mogen dan vaak als uiterst technisch en saai worden gezien, ze zijn ook onder Rob Jetten een uiterst politiek dossier. Met grote gevolgen voor miljoenen Nederlanders.
Hoe kijken jullie aan tegen de gang van zaken rondom box 3? Is het nieuwe hybride systeem de oplossing, of moet er doorgewerkt worden naar een eenduidig systeem? Laat het me weten op egbert.kalse@nrc.nl.
De journalistieke principes van NRC

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/11200109/110226SPO_2031524300_1000Meter3.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/10121342/110226ECO_2031475510_.jpg)
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/bvhw/wp-content/blogs.dir/114/files/2019/07/roosmalen-marcel-van-online-homepage.png)

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/01/30104628/170226SPO_2025320532_1.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/09094950/BUI_2031430590_1-1.jpg)



English (US) ·