‘Een echte topper geeft niet vol gas bij elke oefening’

5 dagen geleden 3

Het regent op Papendal, het topsportcentrum aan de rand van Arnhem waar de Nederlandse sportelite zich voorbereidt op de (inter)nationale competitie. De sportvelden zijn uitgestorven. De wandeltocht vanaf de bushalte voert langs een batterij sporthallen naar de Arnhemhal, het domein van de volleybalbond Nevobo. Bewegingswetenschapper Aylin Post (33), specialist talentontwikkeling bij die bond, ontvangt haar bezoek in een kantoortje vlak naast een enorme volleybalhal, kraamkamer van nieuwe Ron Zwervers en Peter Blangés, helden uit vervlogen tijden.

Post komt uit een sportgezin, een van haar zusjes schopte het tot nationaal jeugdkampioen in het zwemmen. Zelf heeft ze tot haar 18de intensief geturnd, negen uur per week. „Ik was geen toptalent hoor, ik miste explosiviteit”, vertelt ze. „Mijn ouders brachten ons altijd naar wedstrijden en trainingen. ‘Taxibedrijf Post’ noemden we het.”

Eind vorig jaar won Post de Boymansprijs voor haar proefschrift Demystifying swimming talent, waarop ze in oktober 2024 promoveerde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Voor haar promotieonderzoek was ze vijf jaar lang te vinden in het Eindhovense topzwembad de Tongelreep, om erachter te komen wat van een jeugdig zwemtalent een topper maakt.

Wat heeft u onderzocht in de Tongelreep?

„We hebben vooral gekeken naar de verschillen in ontwikkeling tussen zwemmers die op mondiaal topniveau zwemmen en de beste 50 zwemmers op nationaal niveau. Op technisch, tactisch, fysiek en mentaal vlak. Zwemtijden natuurlijk, maar ook zaken als lichaamslengte, spronghoogte, topzwemsnelheid en zwemefficiëntie. En pacinggedrag, hoe ze hun race indelen.”

Waarin onderscheidden de wereldtoppers zich van de iets mindere goden?

„Er is niet één specifiek punt waarop een topzwemmer erboven uitstijgt. Ze onderscheiden zich juist in een heel palet aan fysieke, mentale, technische en tactische kwaliteiten, ook in de tijd. Meiden komen bijvoorbeeld eerder op topniveau dan jongens, zij komen over het algemeen ook eerder in de groeispurt.

„Eén algemeen onderscheid vond ik wel: de toppers uit mijn onderzoek deden meer aan zelfregulatie. Ze waren meer betrokken bij hun eigen ontwikkeling, dachten meer na over hun sterke en zwakke punten, en evalueerden vaker hun doelen. Ze scoorden ook iets lager op inzet. Ze geven niet bij iedere oefening vol gas, en zijn goed in het scheiden van hoofd- en bijzaken. Bijvoorbeeld iets minder energie in draaien en keren, omdat dat wel in orde is. Maar wel all-out bij de sprints, omdat hij of zij daar de meeste progressie kan boeken.”

Wat is de rol van natuurlijke aanleg voor de weg naar de top?

„Aanleg is een goed begin. Veel belangrijker is de motivatie, hoeveel ben je bereid ervoor te doen. Mentale vaardigheden zijn heel belangrijk in topsport. Dat gaat over jezelf kunnen aanpassen, presteren onder druk, doorzettingsvermogen en goed communiceren. Ook de omgeving is cruciaal: welke trainers heb je, wat voor trainingsfaciliteiten, en staan je ouders voor je klaar?”

Hoeveel procent van de talenten haalt uiteindelijk de top?

„Het verschilt per sport en ook per leeftijd, vanaf welke leeftijd ga je rekenen? Bij zwemmen en volleybal breekt ongeveer een op de vijf talenten van een jaar of 16 door. Het is een afvalrace. In het begin ligt iedereen op koers. Maar na verloop van tijd zie je dat bij sommigen de progressie stagneert. Vooral na de puberteit vallen er talenten weg. Het doorontwikkelen is ontzettend moeilijk.

„De reis van talent naar succes is grillig en onvoorspelbaar. Er is niet één weg die van talent naar succes loopt. Uit diverse studies blijkt dat het verband tussen prestaties op jonge leeftijd en eventueel later succes laag is. We moeten ons niet blind staren op jeugdige uitblinkers, maar ook inzetten op laatbloeiers. Een zwemtopper als Marrit Steenbergen [wereldkampioen 100 meter vrije slag] was heel jong al erg goed, maar Arno Kamminga, Olympisch medaillewinnaar op de schoolslag, is pas op latere leeftijd doorgebroken.”

Dus het mysterie uit uw proefschrift ­ wat maakt van een talent een topper – is nog niet ontrafeld?

Lachend: „Eigenlijk is dat maar goed ook. Het zou toch heel saai zijn als we van een 13-jarige fietsende jongen al weten dat hij de nieuwe Pogacar gaat worden? Sport is vooral leuk, omdat het onvoorspelbaar is.”

Wat doet u bij de volleybalbond aan talentontwikkeling?

„Vroeger lag het accent vooral op veel en hard trainen, van jongs af aan. De 10.000-urenregel van de Canadees Malcolm Gladwell was trending, om topniveau te bereiken had je die uren nodig. Uit de wetenschappelijke literatuur weten we inmiddels dat als je een kind van 12 onderdompelt in een prestatieomgeving, de kans groot is dat het afhaakt wegens gebrek aan plezier.

Lees ook

Moet je talentvolle kinderen al een specialistische opleiding geven? Nee, zeggen onderzoekers: toppers hebben vaak juist brede achtergrond

Meisjes in de Chinese stad Hai’an krijgen voetballes, na afloop van hun reguliere schooluren.

„In mijn werk voor de Nevobo breng ik wetenschappelijke inzichten over talentontwikkeling in de praktijk, en doe ik zelf nog onderzoek. Momenteel proberen we een methode te vinden hoe we spelinzicht kunnen meten. We laten een speler een spelsituatie zien, zetten vervolgens het beeld op zwart en vragen aan de speler waar de bal terecht komt. Daarnaast analyseer ik de loopbanen van (voormalige) topspelers. Ik kijk naar de weg die ze hebben afgelegd om bij de beste clubs van Europa te spelen. Daaruit probeer ik terugkerende patronen te halen om zo beter te begrijpen welke stappen bijdragen aan succesvolle doorstroom. Dat een speler bijvoorbeeld, voordat hij in een topcompetitie in Italië of Turkije gaat spelen, eerst nog een tussenstap maakt bij een club op een iets lager niveau, bijvoorbeeld in Duitsland.

„Wij gaan bij de volleybalbond voor de geleidelijke weg, langzaam naar topniveau toegroeien. Met aandacht voor de individuele sporter, met oog voor studie en plezier. Vergeet niet, de weg naar de top vergt enorm veel tijd en moeite. Dan moet je het topsportleven wel erg leuk vinden, anders red je het niet.

„De jonge talenten krijgen eens per week regionale training. Vanaf 16 jaar komen talenten naar Papendal. Ze wonen hier een deel van de week, en blijven bij hun club spelen. We maken voor iedere speler een persoonlijk ontwikkelplan. Hoe ver zijn ze technisch, tactisch, maar ook fysiek en mentaal? En hoeveel rek zit er nog in? Iemand van 17 kan bijvoorbeeld hoog springen, maar hoeveel training heeft hij daarin gestoken, kan het nog beter? We laten ook meer coaches meekijken, zodat je diverse perspectieven krijgt.”

Nederland mag zich na de afgelopen Winterspelen – derde in de medaillespiegel – wel topsportland noemen. Zit er nog rek in?

„Zeker. Het plafond van een sporter wordt mede bepaald door het niveau van zijn coaches. In andere landen is dat een apart beroep. Hier doen we het vaak nog naast een andere baan. Met meer fulltime talentcoaches trekken we het niveau van de training en begeleiding van onze talenten omhoog, en daarmee de kans op succes.

„Ook de wetenschap kan zijn steentje bijdragen. Voorbeelden? Denk aan biomechanica om sprongkracht te verbeteren, inspanningsfysiologie om slimmer te trainen, voedingsleer om nog meer energie te leveren, en psychologie om onze toppers vol vertrouwen en kalm in de wedstrijd te krijgen. Het eind is nog niet in zicht, wat mij betreft.”

Lees het hele artikel