Bestáát de beruchte ‘diplomademocratie’? De samenleving dus waar universitair opgeleiden de dienst uitmaken in politiek en bestuur en praktisch geschoolden het nakijken hebben – in werk, welvaart, wonen, gezondheid en zeggenschap? En die daardoor een kruitvat kan worden van maatschappelijk en politiek ressentiment?
Jazeker, die bestaat. Dat zegt Jeroen van der Waal, hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, die kwestie is nu wel beslecht. Hij onderzoekt het verband tussen opleiding en politiek ressentiment en wordt aangehaald in de nieuwe editie van Diplomademocratie van bestuurskundigen Mark Bovens en Anchrit Wille.
Nee, die bestaat zo niet. Opleiding is belangrijk maar er is geen reden voor paniek over een groeiende segregatie naar opleiding. Zegt socioloog Jan Willem Duyvendak. In zijn eigen recente boek Spookkloven bekritiseert hij de idee dat maatschappelijke kloven, ook die in opleiding, onheilspellend wijd zijn geworden. We groeien juist steeds meer naar elkaar toe, stelt hij, en zijn daardoor gevoeliger geworden voor resterende sociale ongelijkheid. Hij verwijt Bovens en Wille „een gebrekkig gevoel voor verhoudingen”. Ze dienen hem van repliek in het sociologenblad Sociale Vraagstukken. Hij maakt een „stropop” van hun werk, vinden ze. De scheidslijn naar opleiding is een maatschappelijke realiteit, „gebaseerd op feiten, niet op gevoel”.
Ja, die bestaat tot op zekere hoogte, maar Bovens en Wille overdrijven. Zegt Will Tiemeijer, bijzonder hoogleraar gedragswetenschappen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. „Maakt opleiding uit? Ja natuurlijk. Gemiddeld genomen verdienen hogeropgeleiden meer dan lageropgeleiden, hebben zij betere woningen in fijnere wijken, zijn ze gezonder, leven ze langer, enzovoort. Geen serieuze wetenschapper zal dit bestrijden. Maar die verschillen zijn er altijd al geweest.” Bovens en Wille, zegt hij, „doen een longitudinale claim, dat de verschillen de afgelopen decennia groter zijn geworden. Sterker, ze zien zelfs een nieuwe verzuiling. Die claim is wel omstreden.”
Zo is de academische strijd om de ‘diplomademocratie’ opgelaaid, zij het in kleinere kring dan in de eerste ronde. Toen het boek van Bovens en Wille in 2011 verscheen, deed het veel stof opwaaien onder sociologen en politicologen. Er kwam lof maar ook kritiek: dit was niet zo nieuw, of het viel wel mee. Er verscheen een bundel, Een kloof van alle tijden, met sceptische en relativerende kanttekeningen.
Die scepsis is grotendeels „verdwenen”, stellen Bovens en Wille in de nieuwe editie vast. Politicologen doen nu onderzoek naar de politieke oververtegenwoordiging van hogeropgeleiden, sociologen buigen zich over opleiding als nieuwe scheidslijn.
Verdringing door professionals
De cijfers bevestigen in elk geval de trend. In de jaren zestig had 1 procent van de Nederlanders een academische graad, in 2024 ruim 14 procent (en had in totaal 35 procent een hogere opleiding). Het aandeel hogeropgeleiden in de Tweede Kamer en gemeenteraden is toegenomen tot zo’n 80 procent. In maatschappelijke organisaties zijn lageropgeleiden verdrongen door hoogopgeleide professionals. Niet religie of klasse bepalen hoe mensen leven – en hoeveel ze politiek in te brengen hebben – maar opleiding. Aldus Bovens en Wille.
Zo is het, beaamt hoogleraar Van der Waal. Tegenwerpingen als die van Duyvendak noemt hij interessant maar doen volgens hem niet af aan de hoofdzaak. „Je kunt erop wijzen dat praktisch en academisch opgeleiden het over veel onderwerpen ook ééns zijn, zoals over gelijkheid of het recht op abortus. Dat klopt, we zijn een vrijzinnig land. Maar bij de cruciale thema’s van deze tijd – migratie, klimaat – zie je dat ze er héél anders over denken. Die scheidslijn loopt echt langs opleiding.” Hij ziet dat als een terugslag na de antiautoritaire jaren zestig, waar vooral hogeropgeleiden zich comfortabel bij voelen. „De relevantie van die autoritaire neiging van praktisch opgeleiden wordt nog steeds onderschat.”
Toch is lang niet iedereen overtuigd. Allereerst omdat de terminologie verwarrend blijft. Bovens en Wille spreken in hun boek van een scheiding tussen academici en praktisch opgeleiden, maar steeds meer wetenschappers vervangen ‘hoger’ en ‘lager’ door het veel bredere ‘theoretisch’ en ‘praktisch’ opgeleid. Tiemeijer: „Er is een conceptueel rommeltje ontstaan. Wie zijn praktisch opgeleid? Eerst werden alleen de lageropgeleiden zo genoemd, maar steeds vaker worden ook middelbaar opgeleiden ertoe gerekend of zelfs hbo-opgeleiden. De hele waaier aan onderwijsroutes wordt versimpeld tot maar twee smaken. Zo wordt er een tweedeling geconstrueerd. „Als je kijkt naar gemiddelden”, zegt hij, „zijn er zeker significante verschillen tussen opleidingsgroepen, maar de verschillen binnen groepen zijn niet zelden beduidend groter, en dat dreigt uit zicht te verdwijnen.”
In Amsterdam trekt socioloog Jan Willem Duyvendak heel andere conclusies uit de groei van de groep academisch geschoolden. Hij ziet op grond van CBS-cijfers overall geen toename van sociale segregatie. Lageropgeleiden verkeren, concludeert hij, minder onder elkaar dan voorheen, juist ook omdat er minder lageropgeleiden zijn.
Bovens en Wille, meent hij, miskennen de drastisch veranderde sociale verhoudingen in Nederland. Ongelijkheid staat alom in een kwade reuk en juist de elite krijgt het in de media en politiek voor de kiezen. Hogeropgeleiden, schrijft hij in Sociale Vraagstukken, „durven zichzelf niet meer als ‘hoger’ te zien”. Ze staan „in de beklaagdenbank” en „schamen” zich als ze worden aangesproken op hun privileges. In de Haagse politiek is ‘de gewone man’, met zijn wensen en grieven, „allang de norm geworden, van rechts tot links”.
De mythe van het neerkijken
Dat hogeropgeleiden neerkijken op lageropgeleiden is in elk geval een mythe, meent hoogleraar Tiemeijer. In Sociale Vraagstukken rafelde hij de cijfers over zulke „affectieve polarisatie” al eens uiteen. Voor zover er sprake is van affectieve polarisatie – zeg maar: een hekel hebben aan anderen – verloopt die niet langs opleidingslijnen. Bij onderwerpen als klimaat of migratie geeft inhoud de doorslag, als het gaat om affectieve polarisatie, niet opleiding.
Om die reden heeft Tiemeijer ook bezwaar tegen het beeld van een „zuil”. Hij werkt aan een artikel over stemgedrag en politieke verzuiling. „Ik laat zien dat het idee van een nieuwe politieke zuil langs opleidingslijnen niet is vol te houden. Hogeropgeleiden stemmen net zo goed rechts als links. Als dat zo is, wat is dan het gedeelde groepsbelang van deze hogeropgeleide ‘zuil’?”
Socioloog Van der Waal in Rotterdam is niet onder de indruk van de bedenkingen. „Dat de opleidingskloof niet is toegenomen omdat veel meer mensen dan vroeger hogeropgeleid zijn, vind ik geen sterk argument. Dat maakt de kloof met praktisch opgeleiden alleen maar pregnanter. Die heeft niet alleen te maken met politieke opvattingen, ook met leefstijl, kleding, smaak.” Tot en met de namen die je kinderen geeft. Kimberley en Kevin versus Fleur en Floris onder academici.
En Kevin wordt minder vertegenwoordigd in politiek en bestuur dan Floris, aldus de boodschap van Diplomademocratie, dat geen globaal onderscheid maakt tussen ‘hoog’ en ‘laag’ of ‘theoretisch’ en ‘praktisch’, maar tussen universitair opgeleiden en praktisch geschoolden. Bovens en Wille wijzen erop dat nu 80 procent van de Tweede Kamerleden academisch opgeleid is. In Sociale Vraagstukken werpt Duyvendak tegen dat hogeropgeleiden in de jaren vijftig in de Tweede Kamer zelfs met een factor tien oververtegenwoordigd waren, nu nog maar met een factor twee. Die kloof is dus afgenomen.
Maar dat mist het punt, zegt socioloog Quita Muis, die in 2024 aan de universiteit van Tilburg promoveerde op een onderzoek naar polarisatie: „Dan kijk je naar de relatieve verandering. Maar het gaat om de absolute daling van het aantal praktisch geschoolden. Dat is nu nog maar 20 procent. Dat heeft effect op de mate waarin belangen van praktisch opgeleiden worden behartigd.” Hogeropgeleiden zijn volgens haar in hun opvattingen sterker op elkaar gaan lijken da lageropgeleiden en zien meer polarisatie.
En de boze burger dan, die beheerst nu toch al bijna een kwart eeuw de talkshowtafels en de Haagse politiek? Van der Waal: „Dat kan waar zijn, maar het gaat niet alleen om ‘luisteren naar de boze burger’. Dat kan zelf ook weer iets bevoogdends krijgen. Belangrijker is de vraag of mensen zich herkennen in de politiek en of die levert wat mensen willen. Dat is voor praktisch opgeleiden dus niet zo. In het boek Een links verhaal van journalist Coen van de Ven staat een mooie passage over PvdA-kader dat een volkswijk bezoekt. Die gaan mensen daar dan aanspreken op het belang van het klimaat. Je denkt echt dat je naar Lucky TV zit te kijken. Ze kennen de wereld van die mensen helemaal niet.”
Partijen keren zich tegen ongelijkheid
Muis zegt daarover: „Hogeropgeleiden identificeren zich veel sterker met hun opleidingsniveau dan lageropgeleiden. Ze voelen zich ook meer verbonden met mensen met hetzelfde opleidingsniveau.” Duyvendak wijst er op zijn beurt op dat juist de politieke partijen die hogeropgeleiden aantrekken zich keren tégen sociale ongelijkheid, terwijl een flink deel van de lageropgeleiden ‘rechts’ is gaan stemmen. Het verwijt dat hogeropgeleiden in de politiek niet opkomen voor de belangen van lager geschoolden vindt hij dus onterecht. „Het moet niet gekker worden.”
Maar, zegt Van der Waal, de kloof is niet gebonden aan inkomen, die loopt dwars door economische klassen. „Onder praktisch opgeleiden, nog steeds twee derde van de bevolking, zitten ook mensen die in een twee-onder-een-kap wonen met twee auto’s voor de deur. Ik zou dat niet arm of achtergesteld noemen. Maar ze denken wél heel anders dan hoogopgeleiden over politiek. Praktisch opgeleiden vinden migratie of streng straffen van een ontsnapte tbs’er belangrijker dan een paar tientjes per maand meer. Ze hebben een ander idee wat goed is voor Nederland. Daar zit geen economische logica achter.”
Wel een politieke logica, zegt politicoloog Merijn Oudenampsen, criticus van het eerste uur van Diplomademocratie. „De culturele scheidslijn tussen opleidingsgroepen is geen natuurverschijnsel, die wordt actief gepolitiseerd en gemobiliseerd door politieke elites.” Het boek, vindt hij, doet „alsof politieke ideologie niet bestaat of er niet toe doet”. Terwijl die, zegt Oudenampsen, cruciaal is voor het begrijpen van de huidige sociaal-culturele verhoudingen.
Van der Waal ziet dat anders: „Ik zou erg aarzelen om te beweren dat mensen op populistische partijen stemmen omdat ze hun eigen belangen niet goed zien of begrijpen. Ze hebben een ander idee wat mooi en goed zou zijn voor Nederland.”
Lees ook
Een interview met Mark Bovens en Anchrit Wille over hun boek Diplomademocratie: ‘Langs de lijnen van opleidingsniveau zijn echt gescheiden werelden aan het ontstaan’
De journalistieke principes van NRC






/https://content.production.cdn.art19.com/images/49/a7/e6/58/49a7e658-56d8-481a-8298-0df39b14138f/ede948f1df4902547a7211fc8a2048ab9be9c39e707e81011415564adf140ca9e53dfbe25d68495199cfaea662344a046348025d071d9f72f470880dceb48866.jpeg)
/https://content.production.cdn.art19.com/images/12/cd/4d/77/12cd4d77-d80b-427a-8f01-9dfaba87df9a/7b9328d383a252661413d5e104a744ae24ae8c54eb9b7bf6aadf0e0cc54d2d0cee68e831dca70fb279815b03c4ac31defaf9c35365c9adffe1d675cd6484dc35.jpeg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/01132633/010226SPO_2031198901_AusOpen.jpg)

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/02152854/020226MID_2031238624_WEB_HP_ILLU_Opgevoed_Martien-ter-Veen.jpg)
English (US) ·