Prehistorische kustbewoners van Nederland schakelden op een unieke manier over op landbouw

6 uren geleden 1

Het Nederlandse kustgebied vormde in de prehistorie lange tijd een belangrijke uitzondering in de grote migratieprocessen van 7000 tot 2000 v.Chr. Die processen bepalen nog altijd in hoge mate de afkomst van de huidige Europese bevolking. Dit blijkt uit nieuw onderzoek van paleo-dna van 112 mensen uit het gebied, alle uit de periode 8500-1700 v.Chr.

Het onderzoek dat deze week gepubliceerd wordt in Nature, staat onder leiding van de bekende Amerikaanse geneticus David Reich. Ook Nederlandse archeologen, onder wie Quentin Bourgeois, Harry Fokkens, Eveline Altena en Luc Amkreutz (alle Universiteit Leiden) zijn erbij betrokken. Het gaat bij dit onderzoek niet om genetische eigenschappen van mensen, maar om hun ‘genealogische’ afkomst, die kan worden afgeleid uit patronen in honderdduizenden kleine mutaties in het dna.

Overal in Europa ging de invoering van de landbouw, vanaf 7000 v.Chr., gepaard met grote genetische veranderingen in de bevolking. Dit is een van de grote conclusies uit de vele dna-onderzoeken uit de laatste decennia, van huidige en in de laatste tien jaar steeds vaker oeroude inwoners van het subcontinent.

Maar dat blijkt dus niet te gelden voor de toen ook al bijzonder drassige oostkust van de Noordzee (van de Belgische kust tot aan de Elbe). Toen de landbouwmigratie uit Anatolië rond 4500 v.Chr. dat vochtige rivier- en duingebied van de Rijn-Maasdelta bereikte, namen de jagers, vissers en verzamelaars van de lokale Swifterbant/Hazendonk- en later Vlaardingen-culturen wel veel landbouwvernieuwingen over, maar de bevolking behield er in vrij hoge mate de genetische signatuur van de voorgaande jager-verzamelaarsculturen. Er was wel genetisch contact tussen de bewoners en de nieuwkomers, maar ook na zo’n tweeduizend jaar werd de afkomst van de bewoners nog voor 40 à 50 procent bepaald door hun jager-verzamelaars­voorouders, die al aan het einde van de IJstijd in het gebied waren komen wonen.

In de rest van Europa lag dat jager-verzamelaars­percentage in de afkomst rond een kwart of lager. Daar werd de afkomst van mensen in meerderheid bepaald door de ‘neolithische-boerensignatuur’, afkomstig van die migrerende boeren met een Anatolische afkomst. Een vergelijkbaar proces als aan de Nederlandse kust is alleen teruggevonden in delen van Scandinavië en de Baltische gebieden.

Een graf van moeder en dochter uit Nieuwegein-Het Klooster, ca. 4200 v.Chr.

Een graf van moeder en dochter uit Nieuwegein-Het Klooster, ca. 4200 v.Chr.

Foto RAAP

Dat voortleven van een forse jager-verzamelaarsafkomst in het Nederlandse kustgebied hield pas op met de komst van de klokbekercultuur ca. 2500 jaar v.Chr. Die komst van de klokbekercultuur viel ook samen met een honderden jaren durende bevolkingsmigratie vanuit de steppegebieden van Oekraïne, die ook de Indo-Europese talen naar West-Europa bracht. En die komst verandert het patroon in de genetische herkomst van mensen in het Nederlandse kustgebied wel ingrijpend. Aan de lokale signatuur aan de kust (half jager-verzamelaars, half neolithische boeren) wordt dan een forse ‘steppesignatuur’ toegevoegd, die snel 80 procent van het totaal gaat beslaan.

Dat Nederland in de eerste migratiegolf een vrij uniek voorbeeld biedt van jager-verzamelaars die landbouw overnamen was door archeologen al wel vermoed, vooral door het evidente voortbestaan van oudere leefgewoontes en woonplekken. Jacht en visserij in de moerassige delta gingen gewoon door, er kwam landbouw naast. De genetische analyses bannen nu iedere twijfel uit over het relatief hardnekkige voortbestaan van de jager-verzamelaars.

De tweede grote prehistorische immigratie komt duizenden jaren later, uit de steppegebieden van Oost-Europa, ca. 2500 v.Chr. Dat gebeurde vanuit de inmiddels befaamde Yamnaya-cultuur, die een pastorale veeteelteconomie introduceerde in Europa. Die expansie staat weer in verband met de verspreiding van de touwbekercultuur en de daaropvolgende klokbekercultuur. Maar het verband tussen die migratie en bijbehorende culturen is veel complexer dan bij de eerdere bandkeramiek. Quentin Bourgeois publiceerde bijvoorbeeld vorig jaar nog een onderzoek dat toonde dat de touwbekercultuur juist vaak van west naar oost ging, tégen de beweging van de Yamnaya-expansie in. En de klokbekercultuur is waarschijnlijk begonnen in Spanje, ca. 3000 v.Chr, zónder dat er daar al veel steppemigranten waren.

De klokbekercultuur wordt vaak gezien als de eerste algemeen Europese cultuur, die later weer in verschillende regionale culturen uiteenvalt in de bronstijd, vanaf ongeveer 2000 v.Chr.

We weten nu zeker dat die overgang naar landbouw hier een heel langzaam proces was, dat duizenden jaren duurt

Archeoloog Quentin Bourgeois toont zich opgetogen, in een videogesprek over zijn nieuwe onderzoek. „We weten nu zeker dat die overgang naar landbouw hier een heel langzaam proces was, dat duizenden jaren duurt. En we krijgen nu ook veel meer inzicht in de dynamiek. Hier ontstond een mix waarin veel van het oude behouden blijft. We zien bijvoorbeeld in het dna dat er in het Rijn-Maasgebied wel mensen van buiten bijkomen, maar het interessante is dat dat op grote schaal vrouwen zijn! Die voegen zich bij de lokale gemeenschappen in de rivierendelta. En zij zijn het hoogstwaarschijnlijk ook die de kennis van die nieuwe landbouw meenemen.”

Ook medeauteur Luc Amkreutz, archeoloog bij het Rijksmuseum van Oudheden, is opgetogen. Hij promoveerde dertien jaar geleden precies op die overgang naar landbouw in het deltagebied, en bijna al zijn conclusies worden nu bevestigd door het dna. „Mijn hypothese was dat hier sprake was van een langdurige overgang naar landbouw, die eigenzinnig delen overnamen uit de nieuwe landbouweconomie, maar verder vooral bleven doen wat ze altijd al deden: jagen, vissen en verzamelen in deze extreem rijke wetlandomgeving”, vertelt hij via een videoverbinding. „En wat zien we nu? Heel veel cultureel contact, maar weinig gene flow in die eerste periode.” De vernieuwing is onder andere dat die jager-verzamelaars op de wat hoger gelegen oeverwallen en rivierduintjes kleinschalig aan akkerbouw gaan doen. „Als een toevoeging aan een al heel succesvol bestaan.”

Maar, zegt Amkreutz, die landbouw moet je wél leren. „Je kan niet stiekem bij de nieuwe boeren in de buurt in een boom klimmen en gaan afkijken wat ze doen. Dat leerproces vergt intensieve interactie. En dat maakt die komst van die neolithische vrouwen in die kustgemeenschappen zo interessant. Dat moeten de dragers van die nieuwe kennis zijn geweest. Die huwelijken moeten onderdeel van handelsconnecties en bondgenootschappen zijn geweest, tussen twee heel verschillende gemeenschappen.”

De lokale mensen pikken uit de nieuwe technieken op wat ze kunnen gebruiken, op hun eigen voorwaarden

Een belangrijke factor in dat proces moet het landschap zijn geweest, en vooral: al dat water. Amkreutz: „De boerentechniek van de bandkeramiek en hun directe opvolgers konden nog weinig met dat natte gebied, daar kwam hun landbouwexpansie tot stilstand. En tegelijk is het gebied voor de lokale mensen die ermee weten om te gaan een bijzonder rijk gebied, met waarschijnlijk ook relatief grote bevolkingsaantallen. En die pikken uit de nieuwe technieken op wat ze kunnen gebruiken, op hun eigen voorwaarden.”

Quentin Bourgeois vindt ook van belang in het nieuwe onderzoek hoe centraal de rol van het gebied was in de verspreiding van de Klokbekercultuur. Dat is in de tweede fase, als er dus wel grote veranderingen in de afkomstpatronen plaatsvinden. In 2018 was er een grote schok in de archeologische wereld toen er uit een vergelijkbaar paleo-dna-onderzoek duidelijk werd dat in Engeland tussen 2500 en 2000 v.Chr. de genetische steppesignatuur vrij snel voor bijna 100 procent het genetische patroon ging domineren. Bourgeois: „We hebben nu heel duidelijk kunnen bewijzen dat die Engelse klokbekermensen uit de Rijn-Maasdelta kwamen, de dna-signatuur matcht precies, bij vier vijfde van de Engelse klokbekermensen.”

En dat betekent dat de Lage Landen een centrale rol in de klokbekerverspreiding hebben gespeeld. „Mensen in dit gebied moeten in contact zijn gekomen met de beginnende klokbekercultuur in Spanje en om de een of andere reden hebben besloten dat over te nemen, met kleine stijlverschillen. Die stijlverschillen waren al in de jaren 60 opgemerkt, en ook al de overeenkomsten met het Engelse klokbekeraardewerk.” Over de aantallen mensen die toen naar Engeland moeten zijn gegaan, kan Bourgeois geen zekerheid geven, „maar het moeten er duizenden zijn geweest, anders krijg je niet zo’n grote genetische omslag in Engeland.”

Zo’n zelfde verschil in aantallen kan ook in het Nederlandse kustgebied hebben geleid tot dominantie van het steppe-dna in de klokbekertijd. Vaak wordt het proces als een soort gewapend treffen voorgesteld, als een echte ‘invasie uit het oosten’, maar dat hoeft helemaal niet. Bourgeois: „Het is een proces van een paar honderd jaar, die omslag. Snel, voor prehistorische begrippen, maar in die vier tot vijf generaties kan er heel veel veranderen hoor. Als de ene samenleving in het gebied net met wat meer mensen begint en dan ook meer kinderen krijgt die vaker overleven en weer meer nieuwe kinderen krijgen, dan heb je gauw een exponentieel proces. Aan het einde zie je dan de ene groep met bijvoorbeeld 1.000 mensen, maar de andere is dan maar met 100. Ja, dan zie je dus een genetische omslag.”

De journalistieke principes van NRC
Lees het hele artikel