Trump wil dat oliebedrijven investeren in Venezuela. Die zijn sceptisch: al twee keer werden hun spullen onteigend

13 uren geleden 1

Vrijdagavond verzamelden zo’n twintig topmensen uit de oliesector zich in het Witte Huis. Ze kwamen daar om voor het eerst sinds de ontvoering van de Venezolaanse president Nicolás Maduro te praten met Donald Trump over hoe het verder moet met de oliesector in Venezuela.

Gaan ze écht, zoals Trump de hele week riep, miljarden investeren in de op dit moment krakkemikkige olie-infrastructuur? Om vervolgens, in Trumps woorden, „zeer aanzienlijk” veel geld „uit de grond” te halen? Of wijzen oliebedrijven het aanbod van Trump af om grote investeringen voor de lange termijn te doen in een onstabiel land? Analisten wachtten de bijeenkomst nieuwsgierig af; de oliebedrijven hadden zich een week lang voornamelijk stilgehouden.

Hoewel een aantal bedrijven die ontboden waren in het Witte Huis – waaronder Shell en het Spaanse Repsol – optimistisch was over de kansen in Venezuela, bleven veel grote Amerikaanse oliebedrijven sceptisch. Darren Woods, topman van de grootste Amerikaanse oliemaatschappij ExxonMobil, noemde Venezuela „niet aantrekkelijk” voor investeringen, aldus de Britse zakenkrant Financial Times.

Dat Woods meer zekerheid wil dan alleen de woorden van Trump is niet verwonderlijk. „De Venezolanen hebben onze bezittingen al twee keer eerder afgepakt”, zei hij.

Hij doelt op twee rondes van nationalisaties voor de oliesector in Venezuela, eerst in 1976 en daarna nog een keer in 2007. Vooral die tweede ronde maakt dat Trump vorige week claimde dat Venezuela de VS geld schuldig is.

De politieke context van toen verklaart mede waarom veel oliebedrijven nu terughoudend zijn.

Nationalisatie

Decennialang was Venezuela een topproducent van olie. Het land produceerde op het hoogtepunt, in 1970, ruim 3,75 miljoen vaten per dag (een vat is 159 liter) en was de zesde producent van de wereld. Vooral buitenlandse bedrijven waren in Venezuela actief. Hun enorme olie-inkomsten voedden , schrijft onderzoeker Douglas Delgado-Landaeta in een reconstructie in het politiek-economische wetenschappelijke tijdschrift Procesos de Mercado: „Vanuit politici werd de mythe gevoed dat buitenlandse bedrijven Venzolaanse natuurlijke hulpbronnen uitbuitten.”

„Dit was een tijd waarin veel Amerikaanse auto’s rondreden in Venezuela”, zegt energiespecialist bij het The Hague Centre for Strategic Studies (HCSS) Jilles van den Beukel. Ook het Nederlandse Shell en andere oliebedrijven uit Europa waren actief in Venezuela. Destijds boorden die bedrijven vooral in het westen van het Zuid-Amerikaanse land. „De olie was daar minder zwaar dan in andere delen van het land en daarom relatief makkelijk te verwerken”, zegt Van den Beukel. Dat leverde veel geld op.

In Venezuela waren ze er wel klaar mee dat die buitenlandse bedrijven het voor het zeggen hadden. Ze dachten: wij kunnen dit zelf wel

Die winsten zouden veel meer ten goede moeten komen aan het volk, was de tendens in de Venezolaanse politiek. De productie was hoog, de olieprijs ook. „En in Venezuela waren ze er wel klaar mee dat al die buitenlandse bedrijven het voor het zeggen hadden”, zegt Van den Beukel. „Ze dachten: wij kunnen dit zelf wel.” Nationalisatie werd een zeer verleidelijke optie.

Wat begin jaren 70 in het Midden-Oosten al gebeurde, gebeurde in 1976 in Venezuela. Per 1 januari van dat jaar werden de activiteiten van veertien bedrijven genationaliseerd – alle oliebedrijven die op dat moment in Venezuela actief waren. De bedrijven werden voor de verliezen en het materiaal dat ze achter moesten laten. Uit een nummer van Shell Magazine uit 1975 is op te maken dat het bedrijf een compensatie had geaccepteerd van 116 miljoen pond, dat over een periode van 5 jaar werd uitgekeerd.

Zo ontstond staatsoliebedrijf Petróleos de Venezuela, S.A. (afgekort als PDVSA). Op dat moment e, aldus Van den Beukel. Personeel dat eerder in dienst was bij de internationale bedrijven werd aangemoedigd te blijven, schrijft Delgado-Landaeta. De verwachtingen voor het nieuwe staatsoliebedrijf waren hoog: de olie-inkomsten zouden Venezuela rijk maken en het bedrijf zou een banenmachine zijn. 

Het liep anders. Concurrentie had PDVSA in Venezuela niet, wel dijde het personeelsbestand uit en de bedrijfscultuur werd inefficiënt. Prikkels om innovatief te zijn, wat oliebedrijven op het internationale toneel volop waren,, schrijft Delgado-Landaeta. De . In 1986, tien jaar na de grote nationalisatie, werd nog maar de helft van de olie geproduceerd van de topjaren rond 1970.

Begin jaren 90 besloot de Venezolaanse overheid daarom de deuren weer open te zetten voor de buitenwereld. De olieprijs was laag, de tegenvallende productie moest omhoog om het land erbovenop te krijgen. Van den Beukel: „Ze beseften in Venezuela dat het toch niet zo makkelijk was om het allemaal alleen te doen.”

Onder de noemer apertura petrolera (‘olie-opening’) werden samenwerkingsvormen , schrijven onderzoekers van de Rice University in Houston, VS, in een wetenschappelijke reconstructie van het instorten van de Venezolaanse olie-industrie. Onder meer de Amerikaanse oliebedrijven Chevron, Total, Statoil en ConocoPhilips werden weer actief in Venezuela en legden nieuwe infrastructuur aan

Het werkte: halverwege de jaren 90 zat de productie weer boven de 3 miljoen vaten per dag. 

De revolutionaire Venezolaanse politicus Hugozag de afspraken met buitenlandse investeerders ondertussen als verlies van soevereiniteit. Venezuela had zich te afhankelijk gemaakt en hij vond dat de staat recht had op een groter deel van de winst. en in 1999 werd Chávez president. Rond 2007 begon hij eenzijdig contractwijzigingen af te dwingen bij de buitenlandse bedrijven. Ze , schrijven de onderzoekers van Rice University.

trokken zich daarop terug”, zegt Van Beukel. „Ze wilden Dus moesten ze weg. „De facto komt dat ook neer op een onteigening, net als in de jaren zeventig gebeurde.”

Van de Amerikaanse oliebedrijven is alleen Chevron, ondanks de ongunstige omstandigheden, gebleven. Het oliebedrijf is nog actief in vijf olieprojecten in Venezuela, waarin het tussen de 25 en 60 procent van de aandelen bezit, blijkt uit een inventarisatie van Reuters. Het voert ongeveer 150.000 vaten per dag van Venezuela uit naar de VS. Van Beukel: „Bij Chevron hoopten ze dat de omstandigheden weer gunstig zouden worden zodra na Chávez iemand anders aan de macht kwam.”

Dat is niet wat er gebeurde toen Maduro In 2020, op het dieptepunt, was de productie nog maar 400.000 duizend vaten per dag.

Pijnlijke onteigening

De bedrijven die rond 2007 vertrokken kregen, anders dan in de jaren 70, een karig bedrag mee: ze kregen compensatie voor de boekwaarde, niet voor de marktwaarde, schrijven de onderzoekers van Rice University. „De onteigening was voor de internationale bedrijven veel pijnlijker dan tijdens die eerste nationalisering”,

Er volgden rechtszaken bij Amerikaanse en internationale gerechtshoven, die tot op de dag van vandaag lopen. Het Amerikaanse ConocoPhilips probeert 12 miljard dollar van Venezuela los te krijgen, inventariseerde persbureau Reuters. het Italiaanse ENI wil 3 miljard dollar zien, het Amerikaanse ExxonMobil 1 miljard dollar en het Spaanse Repsol wil 700 miljoen dollar terug.

Bij oliebedrijven geven die verliezen dus reden tot terughoudendheid. Trump ziet dat anders. Hij ziet de „gestolen” infrastructuur, die later werd verwaarloosd, juist als reden om olie uit Venezuela te halen en daar veel geld mee te verdienen. Daar heeft de VS nu al het recht toe, vindt hij. „Een enorme industrie werd ons afgenomen alsof we baby’s waren en we deden er niets aan.” 

Hoe Trump Venezuela nu afknijpt en zich de zeggenschap over de olie-industrie toe-eigent, die bedrijven, zegt Van den Beukel. Wat Trump doet is veel ingrijpender en verontrustender. De bedragen die nog openstaan „lijken voor ons grote bedragen, maar in de oliewereld valt dat wel mee. Als PDVSA dat betaalt, zou het daarmee wel gedaan moeten zijn.” 

Woensdag zei Trump alvast dat Venezuela dertig tot vijftig miljoen vaten ruwe olie aan de Verenigde Staten zou „overdragen”. De olie zal tegen marktwaarde worden verkocht en de opbrengst – naar schatting ruim 2 miljard – gaat naar de Venezolaanse bevolking én naar de VS als compensatie voor de „gestolen” infrastructuur en gederfde inkomsten

Lees ook

Miljoenen vaten olie vanuit Venezuela naar de VS – is de blokkade voorbij?

Een muurschildering van  oliepompen en jaknikkers in Caracas.

Vrijdag, in het Witte Huis, was hij ondanks de terughoudendheid van veel oliebedrijven optimistisch over de investeringen in Venezuela. „Onze gigantische oliemaatschappijen zullen minstens 100 miljard dollar van hun eigen geld uitgeven – niet het geld van de overheid,” zei hij volgens FT.

Enthousiast waren wel Chevron en Europese bedrijven, waaronder Shell, Repsol en ENI. Volgens FT zei Shell-topman Wael Sawan dat de Europese oliemaatschappij in principe „mogelijkheden ter waarde van enkele miljarden dollars heeft om in te investeren”. Repsol, dat nu nog een kleine rol speelt in de energiesector van Venezuela, zei de productie in de komende drie jaar de kunnen verdrievoudigen, tot meer dan 150.000 vaten per dag.

De president zei de touwtjes in handen te houden over welk bedrijf aan de slag mag. Daarin wil hij geen onderscheid maken tussen de hoogte van de bedragen die bedrijven nog hebben openstaan bij PDVSA. „We starten met een schone lei.”

Tegen de oliebedrijven zei hij: „Als jullie niet naar binnen willen, laat het me dan weten, want ik heb 25 mensen die hier vandaag niet zijn en die bereid zijn jullie plaats in te nemen.” 

De journalistieke principes van NRC
Lees het hele artikel