Tweedekansfossiel

5 uren geleden 1

Op de veerpont over het IJ las ik over het 3-meter-lange walviskaakbot dat vorig jaar was opgevist in de Oosterschelde. Afkomstig van een allang vergane vinvis, zo leek het, al was de vondst wel érg schoon en wit. Nu was het mysterie ontrafeld: een vroegere medewerker van het teloorgegane Zoölogisch Museum had het collectiestuk mee naar huis genomen, en er later alsnog afstand van gedaan. Geen museum dat interesse had, en officiële papieren ontbraken, dus verdween het kaakbeen (toebehorend aan een Aziatische omurawalvis) ter hoogte van de Zeelandbrug onder water. Niet om het bot te verdonkeremanen, maar juist in de hoop dat het opnieuw zou worden opgevist – en dan weer geldige papieren zou krijgen, en wellicht een nieuw museumbestaan.

Een tweedekansfossiel, een wanhoopsdaad uit liefde. Al las ik dat er misschien vooral in omdat ik net Tristan und Isolde had gezien: met operablik lijkt álles romantisch, tot een gezamenlijke liefdesdood aan toe.

Ik was op weg naar het Azartplein. Ontelbare keren was ik over het IJ gevaren zonder me af te vragen waar die naam vandaan kwam. Een veerpontstop in Amsterdam-Oost, de voormalige eindhalte van tram 10 – meer associaties had ik er niet bij. Alhoewel: ooit had ik in een naburige feestzaal leren salsadansen van evolutiebioloog Tijs Goldschmidt. („Ik dans altijd op leren zolen, als de vloer te glad is doe ik er cola onder. Dan plakt het beter.”)

Azart, het had me oosters in de oren geklonken, het was vast geen toeval dat het op het Java-eiland lag, naast de Bogortuin en de Sumatrakade. Een verre havenstad misschien?

Maar opeens was er vorige week die uitnodiging voor een documentaire over de Azart. Een honderd jaar oude haringschuit waarmee een theatergezelschap vanaf de jaren negentig de wereldzeeën had bevaren. The ship of fools, zo had kapitein-kunstenaar August Dirks het schip omschreven, een knipoog naar het narrenschip uit Plato’s gelijknamige staatkundige allegorie. (Nu, twee millennia later, is de politiek nog altijd een makkelijk doelwit voor scheepsmetaforen: het gezonken schip van Schoof, het superjacht van Jetten met Yesilgöz aan het roer.)

Aanvankelijk had Dirks – denk: Roald Dahls Grote Vriendelijke Reus – een operaschip van de Azart willen maken, Tristan en Isolde op volle zee. „Maar het probleem met die zangers was dat ze geld wilden.” En juist dat was er niet.

Driemaal was de Azart met een vrijwilligersbemanning uitgevaren met als doel nooit terug te keren: de droom van polyglot Dirks was om overal ter wereld theater te maken. In de film treedt hij op in vloeiend Russisch, Spaans, Duits en Nederlands. Kunst, aldus Dirks, is een taal die iederéén verstaat. ‘Azart’ bleek Russisch voor ‘passie’.

Maar tussen droom en daad lag onder andere een kabel van energieleverancier Nuon in de weg, per ongeluk kapotgevaren. De zottenschuit moest terug naar Amsterdam, naar de aanlegplaats die tot Azartplein was omgedoopt. Pas na een jarenlange rechtszaak mocht het schip opnieuw uitvaren. Naar Australië – een droom die halverwege de reis in roest opging. De onderkant van de Azart was zo versleten dat hij bijna doorzichtig was; Dirks zelf werd door een tumor noodgedwongen landrot. Er was maar één plek waar het schip kon overleven: op het land.

Als moderne Ark van Noach vormt de Azart nu op het strand van Ecuador een thuishaven voor lokale artiesten. Een tweedekansfossiel, gestrand uit liefde. Wagner zou er wel raad mee weten.

Lees het hele artikel