De raffinaderij van Neste (spreek uit: Nesteh, niet Nesté) oogt hetzelfde als andere raffinaderijen waar je onderweg naar de Rotterdamse Maasvlakte langs rijdt: een wirwar van bochtige buizen die van destillatietoren naar destillatietoren lopen, met daarnaast witte, ronde opslagtanks. Hier zijn de buizen voor het merendeel groen; ze zijn dan ook voor biobrandstoffen. De raffinaderij is klein vergeleken met de fossiele olieraffinaderijen verderop, maar in haar soort toch de grootste van Europa.
Op het terrein waait soms een vage frituurwalm voorbij. Dagelijks leggen er schepen aan met onder meer afgedankt frituurvet en andere reststromen, zoals dierlijk vet. Als we een hoek omslaan, en naar het gebouw lopen waar de grondstoffen worden opgeschoond, is de geur ineens vrij hevig. Alsof we naast de afzuiging van een snackbar staan.
Verderop, tussen en onder de groene buizen, verdwijnt de geur. Eenmaal geschoond wordt de stroom vetten in diverse chemische stappen omgezet in voornamelijk hernieuwbare diesel en duurzame vliegtuigbrandstof. Lange moleculen (triglycerides) worden hierbij opgeknipt en de stukjes worden als bouwblokjes weer in elkaar gezet tot moleculen die samen een brandstof vormen die vergelijkbaar is met de fossiele variant.
De eindproducten zijn transparant en geurloos, is te zien in flesjes met monsters in het naastgelegen kantoorpand. In het proces ontstaat ook een kleinere stroom van bionafta (te gebruiken voor bioplastics) en biopropaan. Capaciteit van deze raffinaderij: 1,4 megaton biobrandstof per jaar, waarvan 500.000 ton sustainable aviation fuel (SAF).
Neste betekent vloeibaar, in het Fins. Het bedrijf bestaat sinds 1948 en begon als staatsoliebedrijf van Finland. In 1995 ging het naar de beurs, de Finse staat heeft nog 44 procent van de aandelen. Met biobrandstoffen is Neste al sinds begin jaren negentig bezig, in 2000 bouwde het in Finland de eerste bio-productielijn. Ver voor het klimaatakkoord van Parijs (2015), ver voor de bijmengverplichtingen voor duurzame brandstoffen.
De fossiele tak van het bedrijf is nog steeds belangrijk. Uit Nestes fossiele olieraffinaderij in Finland komt grofweg de helft van de omzet. Die bedroeg vorig jaar in totaal 19 miljard euro, blijkt uit deze maand gepubliceerde cijfers. Dat is iets minder dan de 20,5 miljard euro die in 2024 binnenkwam. De daling komt onder meer door de lage olieprijs die in 2025 op alle oliebedrijven drukte.
De omzet uit hernieuwbare producten, gemaakt in raffinaderijen in Finland, Singapore en Rotterdam, was met 8,1 miljard euro juist iets hoger dan het jaar ervoor, dankzij een toename in productie. Neste behaalde in 2025 144 miljoen euro winst in deze divisie, terwijl het in 2024 nog 95 miljoen euro verlies maakte.
Expansie
Een kleine twee kilometer van de raffinaderij op de Maasvlakte breidt Neste uit. Vanaf een bocht in de Europaweg is een glimp op te vangen van nieuwe groene buizen. Schepen kunnen op de nieuwe locatie niet afmeren, de grondstofstromen en eindproducten gaan door dikke leidingen van en naar de twee locaties.
‘De expansie’, zoals de uitbreiding binnen het bedrijf heet, maakt Neste Rotterdam (hier zo’n 350 werknemers, 5.200 werknemers wereldwijd) vanaf 2027 de grootste bioraffinaderij ter wereld. De productiecapaciteit bedraagt 2,7 megaton per jaar, waarvan 1,2 megaton SAF. Rotterdam is belangrijk voor Neste, het maakte er in 2025 4,2 megaton hernieuwbare producten.
De uitbreiding is opvallend, want vorig jaar was er vooral veel nieuws over biobrandstoffabrieken die er in Rotterdam níét kwamen. In mei trok UPM de stekker uit zijn geplande bioraffinaderij. En in september kondigde zowel Shell als BP aan Rotterdamse plannen voor biobrandstoffen te schrappen.
Bij BP stopte het project in de onderzoeksfase, Shell was al aan het bouwen. Beide oliebedrijven zeiden de investering te risicovol te vinden. Wereldwijd is de trend dat traditionele olie- en gasbedrijven zich weer meer op hun fossiele activiteiten richten.
Toch is er zicht op een groeiende markt. Voor de luchtvaart is in Europa afgesproken dat fossiele kerosine deels vervangen moet worden door duurzame vliegtuigbrandstof. Nu is de zogeheten bijmengverplichting nog 2 procent, in 2030 is die 6 procent en in 2035 zal het 20 procent zijn. Afzet gegarandeerd, zou je zeggen.
Afzetmarkt niet zo voorspelbaar
„Wij geloven daar ook in. Niet voor niets steken we 2,5 miljard euro in onze uitbreiding”, zegt Hanna van Luijk, directeur van de Rotterdamse raffinaderij. „Maar vooralsnog is de afzetmarkt niet zo voorspelbaar als wij zouden willen. De stappen voor de bijmengverplichting, van 2 naar 6 naar 20 procent, zijn bijvoorbeeld best groot. Er zijn geen tussenstapjes waarmee bedrijven gedwongen worden geleidelijk het gebruik van SAF op te schroeven. Dat is ook voor ons ingewikkeld.”
Het is een van de redenen dat in de Rotterdamse raffinaderij flexibiliteit is ingebouwd in wat er gemaakt wordt. Nu wordt er meer hernieuwbare diesel gemaakt dan SAF, omdat de markt voor hernieuwbare diesel verder ontwikkeld is. Want voor personenauto’s is de batterij dan wel in korte tijd de dominante duurzame technologie geworden, voor vrachtwagens die lange afstanden rijden is het nog geen uitgemaakte zaak welke duurzame techniek de overhand gaat krijgen, ook hernieuwbare diesel is nog in de race.
Dat luchtvaartmaatschappijen SAF niet omarmen, komt voornamelijk door de kosten. SAF is zo’n drie keer duurder dan fossiele kerosine. Als de productie wordt verhoogd, zal de prijs wat dalen door schaalvoordelen, maar zo goedkoop als kerosine zal SAF nooit worden.
„Een belangrijke factor daarin is de bewerkelijke aanvoerketen”, zegt Van Luijk. „De aanvoer en kwaliteit van fossiele olie zijn vrij constant. Bij ons is de aanvoer juist heel divers, omdat we werken met afval- en reststromen. Die moeten vanuit allerlei hoeken worden ingezameld en dan worden voorbewerkt, zodat die stroom de juiste specificaties heeft om in onze fabriek verder verwerkt te worden. Die complexiteit zal blijven bestaan.”
Van Luijk wil niet speculeren over de vraag waarom andere bedrijven niet genoeg toekomst in biobrandstoffenfabrieken zien. Wel legt ze graag uit waarom Neste in een goede positie zit om er een succes van te maken. Het is niet vanzelfsprekend dat een bedrijf dat goed is in fossiele raffinaderijen ook goed is in bioraffinaderijen. „Wij zijn hier al decennia mee bezig. We kennen de logistiek en de aanvoerketen, en over de techniek en chemie leren we nog steeds bij. Als je hier nieuw aan begint, moet je door een behoorlijke leercurve heen.”
Een verandering in aanvoer kan betekenen dat de fabriek aangepast moet worden. „We zijn op een gegeven moment reststromen van dierlijke vetten gaan verwerken”, zegt Van Luijk. „Die hebben een andere samenstelling dan gebruikt frituurvet, zo zit er meer stikstof in. Dat moet eruit gehaald worden. Op verschillende plekken moest onze installatie toen worden aangepast.”
Totale reststroom niet genoeg
Wie rekent, ziet al gauw dat al het afgedankte vet ter wereld nooit genoeg is om alle fossiele kerosine te vervangen. De OESO becijferde dat de reststroom aan frituurvet en dierlijke vetten in 2023 ongeveer 25 miljoen ton bedroeg. Op zijn best is daarmee zo’n 4 procent van de huidige kerosinevraag te vervangen, rekende Our World in Data onlangs voor. Dat is nauwelijks een energietransitie te noemen.
„Dat horen wij vaak”, zegt Van Luijk. „Maar ik denk dat we alle oplossingen nodig hebben. Hernieuwbare brandstoffen zijn er al, en ze zijn direct toe te passen. Veel andere technieken die in deze context genoemd worden, zijn nog in ontwikkeling. Biobrandstoffen worden inmiddels op industriële schaal gemaakt en de productiecapaciteit kan nog flink omhoog. En, heel belangrijk: deze brandstoffen zijn toe te passen in bestaande infrastructuur. Bedrijven gaan echt niet zomaar hun dure vliegtuigen of vrachtwagens aan de kant te zetten.”
Bovendien zijn meer grondstoffen denkbaar dan alleen gebruikt frituurvet en dierlijke vetten. Neste experimenteert onder meer met oliezaadhoudende planten. „We kijken naar rotatiegewassen. Die gebruiken landbouwers als ‘tussengewas’ om de grond te laten herstellen, ze leveren de boer niet echt iets op”, zegt Van Luijk. „Als dit oliezaadhoudende planten kunnen zijn, dan heeft zowel de boer als wij daar voordeel van. Dit onderzoek zit nog wel in een vroeg stadium, in onder meer Zeeland loopt een pilotproject.”
Op andere plekken in de wereld worden gewassen voor biobrandstoffen gebruikt die ander landgebruik in de weg zitten – dat is flink omstreden. Zonder biomassa is duurzame brandstof echter ook te maken: voor e-SAF of e-kerosine wordt (groene) waterstof gecombineerd met CO2, afgevangen of uit de lucht gehaald, en omgezet in vloeibare koolwaterstof. Ook dit spul is te mengen met fossiele kerosine.
Er zijn inmiddels demonstratie-installaties die e-SAF maken, maar de weg naar productie op industriële schaal is nog lang. Neste houdt de ontwikkelingen rond e-SAF in de gaten, maar is er zelf niet actief mee bezig, zegt Van Luijk.
Binnen de biobrandstoffen is nog genoeg te innoveren. De producten die Neste in Rotterdam maakt, brengen volgens Neste de uitstoot tot 80 à 90 procent omlaag, vergeleken met fossiele brandstoffen. Niet 100 procent, onder meer omdat fossiele waterstof gebruikt wordt als belangrijke hulpstof. Groene waterstof inkopen is nu geen haalbare optie – dat wil zowat elk industrieel bedrijf en het lukt niemand op substantiële schaal. Sinds oktober staat er in Rotterdam wel een hogetemperatuurelektrolyzer, die groene waterstof maakt die direct wordt ingebracht in het raffinageproces.
Voordeel van de hoge temperatuur is dat het proces efficiënter met energie omgaat, vertelt Van Luijk. De techniek is vrij nieuw en het apparaat op het Nesteterrein is het grootste in zijn soort. De kunst was vooral het in te passen in ons proces. „Het moet op hoge druk en heel constant waterstof kunnen bijvoeden, er is weinig ruimte voor fluctuaties.”
De installatie is een proof of concept, een bewijs dat het kan, het levert maar een klein deel van de benodigde waterstof. „We doen dit vooral omdat we het belangrijk vinden dat we onze rol nemen in het volwassen maken van dit soort technologie”, zegt Van Luijk. „Maar voordat we hier op 100 procent groene waterstof zitten, zijn we wel even verder.”


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/16114303/200226ECO_2031611950_sporenburg.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/23202211/230226ECO_2031803828_KLMAirFranceWEB.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/27110109/270226WEE_2031909116_WEB_FI_ILLU_Stellinga_Zo-simpel-is-het-niet_Hergebruik.jpg)



/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/24225301/240226VER_2031799204_Paradiso03.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/02/25102759/250226BUI_2031844107_festival.jpg)
English (US) ·