We zijn corrupter dan we denken. En dat is bijna net zo erg als fascisme

6 uren geleden 1

We zijn corrupter dan we denken. En dat is niet goed voor de democratie. En voordat u denkt dat dit weer een lesje moraliseren wordt: nee dat wordt het niet. Ik blijf bij de feiten, laat zien wat we historisch gezien over samenlevingen weten die stijgen op de corruptieladder, en mag dan hopen dat mensen zelf hun eigen morele conclusies kunnen trekken. (En als dat niet zo is, zijn we nog corrupter dan we dachten.)

Wat zijn dan die feiten? Historisch gezien is corruptie in Nederland – alles in relatief perspectief uiteraard – geen groot probleem. Nederland staat sinds jaar en dag in de toptien van minst corrupte landen ter wereld. Er wordt hier vaak afgegeven op de ‘regentencultuur’, het ‘plucheplakken’, of het ‘graaien’, maar eigenlijk heeft het Koninkrijk der Nederlanden in de 19de eeuw redelijk systematisch afgerekend met de cultuur van patronage en nepotisme. Ambten werden (behalve bij troonsopvolging) niet langer meer automatisch aan families vergeven. Er werden scheidingen aangebracht tussen persoonlijk gewin en publiek belang. Bij de Lintjesaffaire denkt u misschien aan Marjolein Faber, die vorig jaar weigerde vrijwilligers een onderscheiding toe te kennen op grond van haar moverende ideologische redenen. Maar één van de laatste echt grote politieke corruptieschandalen was de Lintjesaffaire van 1909, toen de socialistische krant Het Volk onthulde dat gereformeerde voorman en oud-premier Abraham Kuyper in ruil voor een donatie van 11.000 gulden aan zijn partijkas een koninklijke onderscheiding had verleend aan koopman Rudolph Lehman. Dat was een in your face corruptieschandaal dat zijn weerga niet had, maar wat inmiddels toch ook weer meer dan een eeuw oud is. En dat er overigens ook toe leidde dat Kuyper geen comeback als premier kon maken, het systeem was dus zelfreinigend.

Maar toch. Toentertijd bestond corruptie uit directe steekpenningen, maar nu is er misschien nog wel meer reden tot zorg. In ieder geval is Nederland op de corruption perceptions index (CPI) de afgelopen paar jaren van 87 in 2015 naar een historisch dieptepunt van 78 in 2024 gedaald (op een schaal van 100). De oorzaak is tweeledig. Enerzijds zijn de subtiele vormen van corruptie toegenomen, zoals vriendjespolitiek, draaideurbeleid (bewindslieden die meteen doordraaien naar functies in het bedrijfsleven), invloed van lobbyisten en een gebrekkige of afwezige controle en handhaving van interne partijdemocratie. Anderzijds is de wil om niet corrupt te zijn afgenomen.

We weten dit best, het wordt ook regelmatig aangekaart door dagbladen, of platforms zoals Follow the Money. Maar toch halen de meeste mensen er hun schouders over op. En dat brengt me bij de bedreiging van corruptie voor de democratie.

Mensen lopen graag achter een leider aan die in staat is structureel de regels te buigen en te breken

Want corruptie is niet de afwijking van de norm, het is sociaal-psychologisch volkomen normaal gedrag. Eeuwenlang was het toeschuiven van ambten op grond van afkomst, stand, familie of netwerk schering en inslag. Het hele idee dat je wél volgens objectieve en neutrale regels mensen op hun merites beoordeelt – dat is pas iets heel nieuws. Je ziet in situaties van onzekerheid, van crisis, van krappe middelen of van een gebrek aan vertrouwen in en eigenaarschap van de publieke ruimte hoe snel dat vernis er afvalt. Ik ben zelf voor onderzoek gedurende het tijdperk-Berlusconi vaker in Italië geweest. Wat mij daar opviel is dat veel jongere studenten destijds de meervoudig veroordeelde mediatycoon en populistische premier Berlusconi niet verfoeiden, maar bewonderden. ‘Basking in glory’, heet dat verschijnsel. In plaats van een leider te veroordelen vanwege zijn zelfverrijkende praktijken, waren mensen jaloers. Ze wilden deel uitmaken van die incrowd en zagen in Berlusconi een rolmodel. Zo wilden zij ook wel zijn. Ze stemden daarom steeds weer op de man die hen het geld uit de zakken klopte. Dat mechanisme is ook in lijn met wat de ‘political signaling theory’ zegt: dat mensen graag achter een leider aanlopen die klaarblijkelijk in staat is structureel de regels te buigen en te breken. Hij of zij heeft succes en veegt de vloer aan met ‘het establishment’. Je kunt daar maar beter bij horen dan je ertegen afzetten.

Kortom, corrupt gedrag, gedefinieerd als misbruik van macht die jou officieel is toevertrouwd voor eigengewin, is misschien wel ons natuurlijke gedrag in situaties van onzekerheid. Het kost dus inspanning om elkaar, de bevolking en onze vertegenwoordigers bij te brengen dat je niet corrupt moet willen zijn.

Nu sla ik de brug naar democratie. Onder historici en politicologen wordt er op dit moment driftig gedebatteerd over de vraag of Trump en de VS fascistisch genoemd kunnen worden. Er zijn genoeg redenen om de term fascisme te bewaren voor historische regimes, en er zijn ook goede argumenten om het toch op het Trump-regime toe te passen. Maar eigenlijk gaat het niet om dat abstracte begrip. Het gaat over de realiteit: doet een regering haar best om de natuurlijke neiging tot corruptie die in ons allen woont, te weerstaan? Doen onze leiders hun best om duidelijk te maken dat de overheid, dat onze rechtsstaat functioneert en iedereen gelijk behandelt? We kunnen het Derde Rijk op allerlei mogelijke manieren analyseren, maar als er één kenmerk was dat het ook definieerde, dan was dat dat het een (ideologisch onderbouwde) kleptocratie was waar nazi’s zichzelf stelselmatig als slachtoffers van het oude systeem neerzetten, alle onafhankelijke instanties gelijkschakelden en via onder meer het ariseringsprogramma joden en andersdenkenden van al hun vermogens beroofden. Het probleem was niet dat Hitler een Führerstaat had gecreëerd, maar dat er zoveel mini-Hitlers waren geweest die al te graag hun graantjes meepikten.

Fascisme, dat is niet corruptie in een staat, dat is de staat als corruptiemachine. Die machine is er niet ineens. De weg daarnaartoe wordt gebaand door partijen, organisaties en burgers die niet meer geneigd zijn macht en middelen eerlijk te gebruiken. Die vinden dat het oké is om media- en technologiemonopolies te creëren. Die vinden dat het niet nodig is om een verplicht lobbyregister voor de overheid in te stellen of om transparant te maken wat de bron van donaties is aan partijen. En die vinden dat het ‘moet kunnen’ om de publieke resources naar eigen goeddunken aan te wenden. En voor de goede orde: dit gaat minstens zo zeer om Nederland als om de VS.  

Nederland staat nog steeds op plek 9. Amerika is al afgegleden naar plaats 28 (met een ranking van 65). Maar dat is niet de vraag. Vraag niet of een land of regering fascistisch is. Vraag of we bereid zijn te erkennen dat er een mini-Hitler in eenieder van ons schuilt. En of we bereid zijn de dragers van onze democratie – de partijen, de politici, de organisaties en onszelf – onmiddellijk aan banden te leggen.

De journalistieke principes van NRC
Lees het hele artikel