Zaken doen met uiterst rechts is geen punt meer in politiek Den Haag: tijd om te gaan

2 dagen geleden 4

Joseph Goebbels, vertrouweling van Hitler en propagandaminister, spreekt op 16 maart 1935 in Berlijn journalisten toe. De nazi leest een nieuwe wet voor waarmee Duitsland het Verdrag van Versailles zal schenden. Goebbels kondigt aan dat Duitsland de afspraken die gemaakt zijn aan het einde van de Eerste Wereldoorlog niet langer nakomt: het leger zal worden uitgebreid, de militaire dienstplicht wordt ingevoerd. 

Dat hij de tekst op „luide toon” voorleest en dat hij er „belangrijk en plechtig” uitziet, weten we dankzij de jonge Amerikaanse journalist William L. Shirer, die dan nog niet lang in Berlijn werkt. Shirer houdt een dagboek bij. 

Die zondag verzamelt zich een menigte op de Wilhelmplatz. Er wordt net zolang gejuicht tot Adolf Hitler voor de ramen van de Reichskanzlei verschijnt, hij brengt de nazigroet. Er zijn maar weinig Duitsers, schrijft de journalist, die de nieuwe wet niet zullen steunen – „hoezeer ze de nazi’s ook haten”. De afschuw over de vernedering van het Verdrag van Versailles weegt zwaarder, denkt Shirer, dan de afkeer van het extremisme en antisemitisme van de nazi’s.

To bed tired, and sick at this Nazi triumph, but somehow professionally pleased at having had a big story to handle”, schrijft Shirer die avond. 

Verbijsterd zijn door alweer een politieke gebeurtenis, door een politiek besluit of door wat een politicus zegt, of juist niet blijkt te willen zeggen, maar journalistiek steeds gefascineerd blijven. Ik kan me geen betere samenvatting bedenken van hoe ik me de afgelopen 7,5 jaar als politiek redacteur in Den Haag heb gevoeld. Ik stop als politiek verslaggever, omdat die fascinatie het onderspit dreigt te delven. Ik wil niet dat het zover komt. 

In 1941, toen hij al uit Berlijn was vertrokken, bracht William L. Shirer zijn dagboek uit. In het eerste deel van Berlin Diary beschreef hij de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog. Eerst wisselde hij luchtige observaties en gedachten nog af met politieke gebeurtenissen. Naarmate de oorlog naderde, werd zijn toon urgenter. Er stond te veel op het spel. 

Ik ben Shirer gaan lezen in mijn laatste weken als politiek verslaggever. Niet omdat ik denk dat we in een een-op-een vergelijkbare tijd leven, hoewel we niet blind hoeven te zijn voor wat we herkennen. Wel in een poging een antwoord te vinden op vragen die me al een tijd bezighouden: wanneer weet je dat de periode die je beschrijft de geschiedenis zal veranderen en wanneer weet je zeker dat iets een voetnoot zal blijken te zijn? Kún je dat al zeker weten, terwijl het zich nog aan het ontvouwen is? 

Het bijzondere van Berlin Diary is dat de inhoud niet achteraf is geschreven, met de wijsheid die iedereen dan altijd zo in pacht lijkt te hebben. Het is een inkijkje in hoe de geschiedenis zich dag na dag vormt, hoe kleine verschuivingen steeds heftiger worden en waar die toe kunnen leiden. 

Van 22 naar 46 zetels

Drie keer maakte ik de val van een kabinet mee, drie keer een formatie. Ik zag de opkomst en/of decimering van CDA, FVD, BBB, NSC, D66 en PVV. Ik mocht verslag doen van de coronacrisis, tal van kabinetscrises, partijcrises en van aanhoudende vertrouwenscrises – van politici onderling en van burgers in de politiek. 

Partijen kwamen en verdwenen, onderwerpen overheersten de politieke agenda om daarna in de vergetelheid te raken, de ene na de andere politicus werd verlosser of zondebok, er waren periodes dat niets in Den Haag nog zeker leek. Maar wat al die tijd wel een constante bleef: verkiezing na verkiezing wonnen uiterst rechtse partijen terrein in de Tweede Kamer. In 2021 stelde het Nationaal Kiezersonderzoek vast dat er naast een centrumlinks blok en een centrumrechts blok een radicaal-rechts blok bij was gekomen. Een blok dat steeds verder uitdijde met ideologisch verwante partijen: PVV en FVD waren al aanwezig in de Tweede Kamer toen ik in Den Haag begon en telden samen 22 zetels, JA21 en BBB kwamen daar later bij, het gaat inmiddels om 46 zetels. 

Wat die partijen gemeen hebben is dat ze – en de één uit dat directer en vaker dan de ander – in de kern minder in Nederland willen van wat ik óók ben: Marokkaans, moslim, migrant(enkind). Een gegeven dat ik tijdens mijn werk netjes opsluit in een compartiment, veilig weggeborgen. Wie ik ben, wat ik vind en voel, doet er niet toe zodra ik het gebouw van de Tweede Kamer binnenloop. Meningen en stelligheid zijn er al genoeg in het Kamergebouw, zowel bij politici als bij een deel van mijn eigen beroepsgroep. Relevanter vind ik het bevredigen van de onstilbare behoefte om politiek te begrijpen: hoe het werkt, waarom het werkt zoals het werkt, wanneer het niet werkt, waar het toe kan leiden.
Om mij heen kon niet iedereen dat begrijpen, zeker als generaliserende of discriminerende uitspraken van politici het nieuws domineerden. Hoe hield ik dat vol? 

Ook een zelfgekozen harnas kan scheuren gaan vertonen, als het maar genoeg te verduren krijgt

Daar heb ik nooit goed antwoord op kunnen geven, het was gewoon zoals het was, en die modus werkte zolang die werkte. Het mooie van identiteit, dacht ik, is dat je zelf kan kiezen aan welk deel daarvan je de meeste aandacht schenkt. Je identiteit bestaat niet alleen uit het land waar je ouders zijn geboren, de god waar je al dan niet in gelooft, ze bestaat ook uit je interesses, je talenten.

Hopeloos naïef, natuurlijk. 

Vrijwel meteen kwam ik erachter dat het in de Haagse binnenwereld niet zo werkt. Daar telt niet zozeer hoe je jezelf ziet, maar vooral hoe je door anderen wordt gezien. 

Bovendien blijkt dat ook een zelfgekozen harnas scheuren kan gaan vertonen, als het maar genoeg te verduren krijgt. 

Ik was de eerste politiek verslaggever met een hoofddoek, het eerste Kamerlid met hoofddoek zou jaren later pas worden beëdigd. In een van mijn eerste weken maakte ik, samen met een collega, kennis bij de SGP. Een partijmedewerker richtte zich, na een verhandeling over wat de Nederlandse volksaard zou zijn (iets met nuchter), tot mij met de opmerking dat ik dat „inmiddels ook wel door zou hebben”. 

Een VVD-woordvoerder bij wie ik langsging voor een gesprek over de zoveelste kabinetscrisis wilde eerst de tijd nemen om mij (ongevraagd) uit te leggen dat etnische groepen per definitie bepaalde automerken reden, was het mij bijvoorbeeld al opgevallen dat Marokkanen altijd een Volkswagen hebben? 

In de rij voor de lunch bij een CDA-congres wilde een senator weten waar ik vandaan kwam (Apeldoorn). Nee, waar ik écht vandaan kwam. (Geboren in Amsterdam.) Nee, maar wat was mijn áfkomst? (Ik kon pas aan mijn bolletje kaas beginnen nadat ik had verteld dat in mijn familie alle generaties vóór mij in Marokko zijn geboren.) 

In een persconferentie over de Toeslagenaffaire met, zoals dat gaat, alleen journalisten in de zaal, maakte ik mee dat de verantwoordelijk staatssecretaris mij recht aankeek toen hij nog eens „excuses aan de ouders” wilde maken. Ik voelde de bui al hangen toen hij met een gebaar in mijn richting zei dat hij een gedupeerde ouder in de zaal zag zitten. „Nee”, zei ik. „Misschien niet?”, vroeg hij. „Ik had het idee dat ik u eerder had gezien.” Dat klopte, ik volgde zijn partij voor NRC, we hadden elkaar daarvoor al meermaals gesproken. Die avond belde hij om zijn excuses te maken. Niet uit zichzelf, iemand anders had hem op het idee gebracht.

Ik zette dit weg als incidenten en als ik de aantekeningen teruglees die ik er destijds over maakte, dan was verwondering blijkbaar de enige emotie die het bij me opriep. 

Ignorance is bliss

De onstilbare behoefte aan het begrijpen van politiek, waarmee ik in 2018 het Binnenhof betrad, is aan het verdwijnen. Wat ervoor in de plaats is gekomen, is een behoefte aan afstand. Dat valt te verklaren: ik zal niet de eerste zijn die na 7,5 jaar een keer wat anders wil gaan doen. Maar waar ik mezelf op ben gaan betrappen, is het geloof dat ignorance écht bliss is. Hoe heerlijk moet het zijn om níét alle verschuivinkjes van dichtbij te aanschouwen, om níét de hele tijd te hoeven piekeren over wat in razend tempo normaal aan het worden is, over waar dat toe zou kunnen leiden. 

Tweehonderddrieëntwintig dagen, zolang hadden VVD, NSC en BBB nodig gehad om de PVV toe te laten tot de macht. De duur van de formatie van het kabinet-Schoof had geen records gebroken. Wilders was al die tijd heel consequent gebleven: hij zou nooit veranderen, zijn ideeën ook niet. Dat bleek, na wat rituele dansjes, geen probleem. Zoals ook de benoeming van PVV’er Martin Bosma tot Kamervoorzitter geen probleem bleek voor een meerderheid van de Tweede Kamer. Terwijl in het debat waar hij zijn kandidatuur bekendmaakte, duidelijk werd dat ook hij geen metamorfose had doorgemaakt. Hij was niet van plan terug te komen op zijn uitspraken en ideeën (hij is een van de PVV’ers die meermaals in debatten over ‘omvolking’ was begonnen, een racistische complottheorie, om maar wat te noemen).

Het duurde niet lang voordat ook oppositiepartijen bereid waren om zaken te doen met het kabinet-Schoof, door te onderhandelen over de onderwijsbegroting. Niet alleen partijen op rechts, ook ChristenUnie, CDA en D66 deden mee. Een geslaagde lakmoesproef voor het kabinet, waar aanvankelijk nog twijfels leefden over of partijen wel met de PVV wilden samenwerken. Uiteindelijk trok alleen D66 zich terug. Niet om principiële redenen, niet wegens bezwaren tegen de partij die ze voordien in de Tweede Kamer verbaal hadden bestreden. Ze hadden het alleen niet eens kunnen worden over de ínhoud van de afspraken.

Een verschuiving in de geschiedenis hoeft niet groots en abrupt te zijn, het zijn de kleine stapjes waar we op moeten letten

Zo snel was het gegaan, het laten meedoen van de PVV. Zo snel waren partijen bereid geweest om normale politiek te bedrijven met een partij die nooit geheimzinnig had gedaan over haar afkeer van een miljoen Nederlanders. Wetend dat die partij discriminerende plannen had, wetend ook dat de permanente uitsluitingspolitiek zich nadrukkelijk richt op één minderheid in Nederland, wetend dat de partij daarvoor bereid was de grenzen van de rechtsstaat over te gaan, wetend dat de fractievoorzitter is veroordeeld, nadat hij een menigte „minder Marokkanen” had laten roepen.

Een paar dagen voor de deal over de onderwijsbegroting was al gebleken wat het kon betekenen als ook centrumpartijen en linkse partijen deden alsof na de winst van de PVV alles business as usual zou blijven. Een motie van de VVD, waarin werd opgeroepen om de „culturele en religieuze normen en waarden” van Nederlanders met een migratieachtergrond bij te houden, werd aangenomen. Onder de voorstemmers waren niet alleen de voorspelbare uiterst rechtse partijen, maar ook ChristenUnie, CDA en SP. Het duurde een paar dagen, en er was heel wat ophef voor nodig, voordat die partijen erop terugkwamen en het een fout noemden, één waar kennelijk geen excuses voor nodig waren. Niet meteen, aanvankelijk schreef het CDA in een stemverklaring dat het „lastige” was dat „dit soort moties onder een vergrootglas liggen vanwege de samenstelling van dit kabinet”. Lastig, niet logisch.

Prinsenvlaggen

In mijn islamitische omgeving werd in die tijd al nagedacht over emigratie, soms werden er al concrete plannen gemaakt. Het besef was ingedaald dat zorgen over migratie bij hun collega’s, buren, landgenoten, zwaarder wogen dan de basisrechten van hun islamitische landgenoten. Ouders wisselden tips uit, hoe ze hun kinderen gerust konden stellen over een kabinet met de partij van Geert Wilders.

Wanneer weet je dat de periode die je beschrijft de geschiedenis zal veranderen en wanneer weet je zeker dat iets een voetnoot zal blijken te zijn? Na de val van het kabinet-Schoof werd niet ineens alles anders. Forum voor Democratie kon rekenen op steun van de VVD bij een motie om ‘antifa’, een vage parapluterm voor links-activistische bewegingen, aan te merken als terroristische organisatie. Na extreem-rechtse rellen op het Malieveld, waar werd gezwaaid met prinsenvlaggen en leuzen klonken als „buiten met de buitenlanders”, negeerde de verantwoordelijk minister van VVD-huize een dringend advies van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid om te zeggen waar het op stond: dat het rechts-extremistisch was. In een van mijn laatste weken in Den Haag blijkt in het debat over de aanval van de VS en Israël op Iran dat niet alle partijen zich nog als vanzelfsprekend scharen achter het internationaal recht. Het wegredeneren van de genocidale oorlog die Israël in Gaza voert was voor die partijen dus geen incident, het was een voorbode.

De erfenis van het tijdperk met de PVV als grootste regeringspartij leeft niet alleen voort in ideeën en woorden. Het kabinet dat erop volgde, van D66, VVD en CDA, is van plan de asielwetten van PVV-minister Marjolein Faber onveranderd door te voeren. In haar eerste lakmoesproef, in het debat over de regeringsverklaring, besloot het minderheidskabinet-Jetten een deal te sluiten met onder anderen Gidi Markuszower. Markuszower, die zich afsplitste van de PVV, maar zichzelf omschrijft als „PVV-hard”. En die dat in hetzelfde debat nog eens onderstreepte met zijn inbreng, waarin hij „buitenlanders” wegzette als profiteurs, criminelen en als oorzaak van de problemen in Nederland. Niemand in de Kamer was opgestaan.

Een verschuiving in de geschiedenis hoeft niet groots en abrupt te zijn, het zijn de kleine stapjes waar we op moeten letten. 

William L. Shirer zou decennia na de publicatie van Berlin Diary zeggen dat hij in zijn jaren in Berlijn aan alles voelde dat het ongewone aan het gebeuren was, dat de wereldorde aan het verschuiven was, dat het zou leiden tot iets slechts. Maar dat hij niet wist hoe erg het daadwerkelijk zou worden. 

Alsof hij een puzzel legde, zonder te weten hoe afschuwelijk het complete plaatje zou worden. 

Lees het hele artikel