Nog voor ik kon lezen en schrijven, zat er muziek in mijn hoofd. Die muziek maakte mijn vader. Elke avond na het eten ging hij achter de piano zitten en speelde urenlang. Als kind luisterde ik in bed naar de akkoorden die langs de trap van ons huis over de overloop kwamen huppelen en dan langs de zoldertrap omhoog zweefden, waar ik lag. De melodie wikkelde zich om me heen, als een wollen deken: troostend, geruststellend.
Mijn vader, die graag concertpianist had willen worden, antwoordde op mijn vraag naar wat hij nu precies speelde, wegwuivend: „Beetje Beethoven, Brahms. Improviseren. Gepiel.” Pas later ben ik in zijn ‘gepiel’ de pianomuziek van Franz Liszt gaan herkennen. Mijn vader speelde graag Liszts Tröstungen, lyrische en relatief eenvoudige pianostukken, die in 1850 uitkwamen.
Misschien komt het door die langs de trap omhoog stijgende, troostende pianomuziek van vroeger dat ik van trappen houd. Niet van ladders overigens. Die zijn wankel, oncomfortabel en griezelig. Traptreden lijken zich moeiteloos naar mijn voet te voegen, en omgekeerd.
‘Trappengeluk’, noemde de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche in Menschliches, Allzumenschliches (1879) het beklimmen en afdalen van een trap, waarbij slimme invallen, vergezichten, beschouwingen en ja, melodieën op het ritme van je stap ontstaan. Onbegrijpelijk dat woningen op Funda bonuspunten krijgen als er een trap ontbreekt, waarlangs je omhoog en omlaag kunt suizen. Onbegrijpelijk dat zelfs kwieke mensen de roltrap of lift verkiezen boven een trap. Ontstond er ooit muziek in een lift (behalve muzak?), een idee voor een schilderij, een ingeving voor een roman op de roltrap?
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/04101508/040326CUL_2032006300_2.jpg)
Galeries Lafayette in Parijs, begin 20ste eeuw, mét trap. Die werd in 1974 gesloopt omdat er meer winkelruimte moest komen.
Foto ANP / Roger Viollet Agence PhotographiqueAls ik kijk naar de geschiedenis van de trap, waarbij het boek Elements of Architecture (2018) van Rem Koolhaas behulpzaam is, dan begrijp ik de afkeer. De geschiedenis van de ‘koningin van de architectuur’, zoals de Duitse ’trapwetenschapper’ Friedrich Mielke (1921-2018) de trap doopte, is er een van verwaarlozing, sloop, ontkenning en verbanning. Een van de dieptepunten is het vernietigen in 1974 van de oogverblindende, uit 1912 daterende grand stairs in de Parijse Galerie Lafayette: de spektakeltrap die moest wijken voor meer winkelruimte.
Het zaadje van die afkeer werd geplant in de vijftiende eeuw, toen de Italiaanse architectuurtheoreticus Leon Battista Alberti schreef: „Hoe minder trappen er in een huis zijn, en hoe minder ruimte ze innemen, hoe comfortabeler ze geacht worden te zijn.” De geest van Alberti – liever geen trap dan één trap – echoot nog steeds door. Ze zorgt ervoor dat ik in woonhuizen en kantoorgebouwen inmiddels vooral betonnen en verwaarloosde trappenhuizen tref, zonder comfort, sfeer of soms zelfs licht. Trappen functioneren als nooduitgang, voor het onzichtbaar op- en neergaan van ‘service’-personeel, of voor fitnessadepten die hun cardiotraining willen bijhouden.
Trappen zijn er niet voor dromers. Dacht ik.
De hemel tegemoet
Totdat ik in november vorig jaar in de woestijn van Marha, in het zuidoosten van Marokko, via een reusachtige lemen trap een staalblauwe hemel tegemoet klom. De slagschaduw van het bouwwerk was kaarsrecht en diepzwart: stenen, mensen en dieren werden erdoor opgeslokt. Tweeënvijftig treden, elk bijna zeven meter breed, lispelden, verleidden en wenkten: kom naar boven, klim, licht als die muzieknoten van vroeger, overbrug moeiteloos het hoogteverschil, kom en kijk om je heen.
Op het platform bovenaan de trap zag ik wandelende zandheuveltjes, een groepje dromedarissen (of was het een fata morgana?), versteende rivierbeddingen, mensdiepe kuilen en een kronkelende, stoffige lijn: daaroverheen waren we met een monstertruck vanaf Erfoud naar hier gereden. Ongeveer, want de weg in de woestijn is veranderlijk.
Hannsjörg Voth is een Duitse, conceptuele kunstenaar (1940) die tussen 1980 en 1987 in het lege en ongenaakbare landschap tussen het Atlasgebergte en de Sahara een reusachtige Hemelse Trap bouwde. 16 meter hoog, 23 breed, de hypotenusa (de schuine, langste zijde van een rechthoekige driehoek) is 28 meter lang: daarlangs klim je omhoog. Voth bouwde de trap juist in deze vlakte, omdat hij onder de indruk was van de lemen bouwsels waarmee bewoners uit de streek hun onderkomens bouwden.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/09103842/090326CUL_2032006300_nieuw-rotated-e1773050464146.jpg)
De Hemelse Trap van Hannsjörg Voth in de vlakte van Marha in Marokko.
Foto Lucette ter BorgVoth en zijn vrouw moesten 52 traptreden omhoog, en daarna weer omlaag, om hun woning te betreden. Was er geen gemakkelijker toegang te bedenken?
Voth bouwde in totaal drie kunstwerken in de vlakte van Marha, maar de Hemelse Trap is het speciaalst. De kunstenaar, die tijdens zijn werkzame leven bekend kwam te staan als kluizenaar die nieuwsgierigen graag mijlenver op afstand hield, woont inmiddels in München. Voth reageert na aandringen via de mail. „U vraagt te veel”, schrijft hij knorrig. In een volgend bericht zegt hij „een paar vragen wel spontaan” te willen beantwoorden.
Samen met zijn vrouw, schrijft Voth, bewoonde hij tussen 1987 en 1996 ieder half jaar in de winter het binnenste van de trap: twee kamers op twee nauwe verdiepingen. Vroeger waren die kamers te betreden via een luik op het platform bovenaan de trap. Inmiddels is dat luik afgesloten en niet meer zichtbaar.
Gelukkig bestaan er foto’s van het interieur. Binnen in de trap – zo toont het boek L’Architecture de terre au Maroc (2001) – overbruggen een ladder en daaronder een houten trap het hoogteverschil. Voth en zijn vrouw moesten dus eerst 52 traptreden omhoog, en daarna weer omlaag om hun woning te betreden. Was er geen gemakkelijker toegang te bedenken? Aan de voet van het bouwsel bijvoorbeeld, daar waar stenen tot woestijnzand verkruimelen?
Als ik zeg dat de vorm van de trap me doet denken aan die in een ziggoerat – de tempelcomplexen uit het oude Mesopotamië en het Perzische Rijk –, klinkt zijn antwoord geïrriteerd. „De Hemelse Trap heeft niets met religie te maken”, schrijft hij. „Veel meer met transcendentie: het boven de ervaring uitstijgen en overschrijden van door bewustzijn afgebakende grenzen.” Heeft de trap een dromend potentieel, wil ik vragen. Maar het mailverkeer is gestaakt. Er komt geen antwoord meer uit München.
Hitsige traptreden
Er is weliswaar over trappen gedroomd, maar die dromen zijn nergens systematisch bij elkaar gebracht. Behulpzaam is de redelijk goed gedocumenteerde tentoonstelling Stairway to…, nu in Kunsthal KAdE in Amersfoort. Nadeel hier is dat er, anders dan de titel van de tentoonstelling suggereert, meer ladders dan trappen voor het voetlicht treden.
De simpelste symbolische trappen zijn de zogeheten trappen van ouderdom, die tussen de 17de en 19de eeuw als memento mori populair waren. Het Rijksmuseum in Amsterdam bezit een mooie houtsnede van Dirk van Lubeek. Van Lubeeks De Trap des Ouderdoms (1814-1825) ziet eruit als een brug. Vijf hoge treden tellen tot vijftig jaar omhoog, en omlaag gaat het tot honderd jaar: klaar, einde.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/04101851/040326CUL_2032006300_4.jpg)
Dirk van Lubeek, Trap des ouderdoms (1814-1825).
Foto Collectie RijksmuseumTrappen reiken naar het hogere, maar evengoed naar het lagere. Denk aan de archetypische keldertrap in horrorfilms, of aan Hitchcocks meesterwerk Vertigo uit 1958. In het raadselachtige popliedje Staircase (2011) van de Britse band Radiohead symboliseert de trap het onderbewuste, waarlangs we afdalen naar plekken waar we alleen nog ‘met een helikopter’ uit kunnen worden ‘gestolen’. De Hongaarse componist Györgi Ligeti verbeeldde de trap in 1993 in L’escalier du diable, een idioot moeilijk te spelen piano-etude. Het klinkt als een naar adem snakkende jacht naar de top, een uitzicht dat nooit wordt bereikt. Ligeti’s hitsige traptreden stoppen niet, ze draaien, kantelen, verdubbelen zich, splitsen zich en je komt niet aan waar je hoopte dat je aan zou komen.
Zo’n diabolische trap naar ‘nergens’ graveerde ook de Italiaanse meestergraveur Giovanni Piranesi eeuwen daarvoor in zijn serie Carceri d’invenzione (ca. 1745-1750). Een paar daarvan zijn in Amersfoort te zien. De contemporaine architect Thomas Heatherwick bouwde een soortgelijk, duizelingwekkend trappenstelsel in New York. Heaterwicks gebouw The Vessel is een gigantische honingraat van bronskleurig metaal met 154 onderling verbonden trappen, 2.500 traptreden en tientallen overlopen. The Vessel is een trap an sich: de trap is het gebouw. De trappen gaan voortdurend op en neer. Er is geen directe weg naar de top, geen snelle winst te boeken. Een trap-ervaring in The Vessel, zo zegt Hudson Yards-ontwikkelaar Stephen Ross in Koolhaas’ boek, is als het leven van een social climber. Dat betekent vallen en opstaan. Succes moet bevochten worden. Reflectie, hoop, wanhoop en uiteindelijk, voor de doorzetter: een sprookjesachtig uitzicht.
Er zijn mensen die trouwen met de kast van hun overleden moeder – zoals Yvonne Dröge-Wendel (1961) in 1992 deed bij haar afstuderen van de Rietveld Academie. Er zijn ook mensen die trouwen met een trap. De Duitse onderzoeker Friedrich Mielke – ik noemde hem al hierboven – deed dat in 1951. Na de oorlog kwam Mielke te werken bij monumentenzorg, en tijdens een bezoek aan het slot van Schwerin werd hij, zeg maar, verliefd op de wenteltrap.
Er zijn mensen die trouwen met de kast van hun overleden moeder. Er zijn ook mensen die trouwen met een trap
Mielke vertelt erover in een oud interview in Koolhaas’ Elements of Architecture. Hij zag hoe ingenieus de hoogte van de traptreden zich verhielden tot de beenlengte van de klimmer: tegen de spil aan werden de opstapjes lager (voor mensen met korte benen), aan de buitenkant van de trap werden ze juist hoger (voor de langbenigen). Ter plekke sloot Mielke een ‘huwelijk’ met de trap en richtte er een speciale wetenschap voor op: die van de Scalalogia – een woord dat klinkt als een dansje.
De Scalalogia onderzoekt, aldus Mielke, de „wisselwerking tussen mens en trap, tussen voet en steen”. Scalalogia is te vergelijken met „opera”, waarbij verschillende disciplines samen meer zijn dan de som der delen. Mielke ontdekt dat er maar tien, vijftien auteurs te vinden zijn die überhaupt aandacht besteden aan de trap, en dat alleen nonchalant: als een verloren zakdoek die wappert in de wind.
Mielke begint systematisch, zeg maar gerust obsessief aan zijn onderzoek. Eerst fotografeert en documenteert hij de trappen in Potsdam, al snel volgen andere regio’s van Duitsland, omringende landen en hij trekt verder: naar China, Mexico, Tunesië. In de jaren tachtig richt hij in Beieren een ‘Gesellschaft für Treppenforschung’ op, dat in 2012 wordt omgedoopt tot ‘Friedrich-Mielke-Institut für Scalalogie’ en sindsdien aan de Technische Universiteit van Regensburg resideert.

Balder Westein, Stairway of Hope (2020). Te zien in de tentoonstelling ‘Stairway to…’ in Kunsthal KAdE in Amersfoort.

André Pielage, Zoldertrap (2022). Te zien in de tentoonstelling ‘Stairway to…’ in Kunsthal KAdE in Amersfoort.
In totaal schrijft hij 31 boeken over trappen, waar ik er één – Treppen der Gotik und Renaissance (1999) – tweedehands op de kop kan tikken. In dit boek vergelijkt Mielke de trap met kleding: een trap zit de mens dicht op de huid, dichter dan enig ander onderdeel van de architectuur.
De bibliotheek van Mielkes instituut omvat inmiddels 500 boeken over trappen, 35.000 dia’s, ontelbare tekeningen en foto’s en een reusachtige collectie van schitterende trapmaquettes. Ook hiervan zijn enkele in Amersfoort te zien.
Mielke – zo wordt ook in Koolhaas’ boek benadrukt – is ondanks de duizenden pagina’s technische beschrijvingen in zijn boeken, geen objectieve wetenschapper. De liefde voor zijn onderwerp straalt overal doorheen.
Mielke sprak er weinig over, maar in 1940 ging hij als onderdeel van een pantserdivisie van de Waffen SS naar Frankrijk, Joegoslavië en uiteindelijk Rusland. Bij de ‘vleesmolen’ van Rzjev – een haast vergeten, vijftien maanden durende reeks veldslagen waar tussen de 1 en 2 miljoen soldaten het leven lieten – verliest hij een been. Hij wordt ontslagen uit dienst en keert terug naar Duitsland. Gehandicapt door een prothese begint hij aan zijn eerste trappenonderzoeken. Dat is pijnlijk, soms moet hij wel acht uur met zijn stomp op die prothese voortbewegen. Door een ernstig auto-ongeluk in 1960 komt Mielke permanent in een rolstoel te zitten. Hij zal vanaf dan alleen nog maar naar trappen kunnen kijken, ze kunnen aanraken en erover dromen. Hij schrijft nog minstens 20 boeken over trappen. Een trap beklimmen zal hij nooit meer kunnen.


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/05101437/060326BIN_2031542143_taakverdeling.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/10141321/100326WET_2032083953_hitteDEF.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/10115837/100326VER_2032175496_volkerturk.jpg)

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/08200656/080326SPO_2032124889_.jpg)

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/07140200/080326CUL_2031144626_2.jpg)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/03/07224340/PSV-AZ_73371836.jpg)
English (US) ·