Met dank aan de onbesuisdheid van Trump wankelt de wereldeconomie

2 uren geleden 1

Maandag 9 maart 2026 is een dag die handelaren op de oliemarkt nooit, maar dan ook nooit zullen vergeten. De prijs van Brent-olie schoot van 92 dollar naar 119 dollar per vat, in de eerste uren van de handel in Azië. De reden: dat weekeinde maakten zowel Saoedi-Arabië als de Verenigde Arabische Emiraten bekend hun productie te verminderen in verband met de oorlogssituatie in de Arabische Golf.

Na de reuzenstijging van de olieprijs op maandagochtend besloten de landen die aangesloten zijn bij het Internationaal Energie Agentschap (IEA) bijeen te komen om te praten over het vrijgeven van hun strategische oliereserves. Elk land heeft voorraden waarmee het drie maanden toe kan – een maatregel die stamt uit de oliecrisis van 1973. Na dat nieuws maakte de Amerikaanse president, gespitst op het kalmeren van de oliemarkt – en bang voor de reactie van Amerikaanse automobilisten – ook nog bekend dat de oorlog tegen Iran ‘wel zo’n beetje over’ was. 

De prijs van olie crashte daarop maandagmiddag naar nog slechts 84 dollar, om vervolgens te sluiten op 92 dollar. De prijsschommeling op één dag bedroeg, afhankelijk van welke openings- en sluitingstijd van de handel je hanteert, zo’n 35 dollar. Dat is een record voor een markt die op gangbare dagen zo’n anderhalve dollar fluctueert.

De totale chaos, waarin ook ervaren handelaren makkelijk ten onder hadden kunnen gaan, wijst op de enorme onzekerheid die de aanval op Iran op dit moment teweegbrengt in de energiewereld. Die is nog lang niet over, en onderstreept de onvoorziene geopolitieke én geo-economische repercussies die de Israëlisch-Amerikaanse oorlog tegen Iran nu al heeft, en ongetwijfeld in de toekomst zal hebben. Want niemand weet waar hij aan toe is, en vermoed wordt dat de regering-Trump dat zelf ook niet weet. 

Draai van 180 graden

Dat bleek al dinsdag, toen in de loop van de dag de VS en andere landen besloten hun strategische voorraden aan te spreken. Maar daar was een opmerkelijke draai binnen een paar uur van de Amerikanen voor nodig.

Na de uitlatingen maandag van Trump over het spoedige einde van de oorlog, toonden de VS zich dinsdag nog tegenstander van de grootste interventie ooit in de oliemarkt. Daar zei de Amerikaanse energieminister Chris Wright dat die ingreep te vroeg kwam, omdat de olieprijs na de uitspraken van Trump dat de oorlog bijna voorbij was al was gedaald tot onder de 90 dollar.

Nog geen twee uur later draaiden de Amerikanen 180 graden en drongen ze bij andere landen erop aan olie vrij te geven uit hun strategische voorraden. Volgens een reconstructie van The Wall Street Journal was die draai volledig te verklaren doordat Trump zelf van mening was veranderd. De president was gevoelig voor waarschuwingen van adviseurs dat de olieprijzen volatiel zouden blijven.

Op woensdag maakte de IAE bekend dat de grootste interventie ooit op de markt in gang werd gezet. De 32 lidstaten, waaronder Nederland, brengen in totaal 400 miljoen vaten olie uit hun strategische voorraad op de markt. Dat is meer dan het dubbele van wat de IEA-landen deden na de Russische inval in Oekraïne in 2022.

Maar de kalmte op de markt is met deze aankondiging nauwelijks teruggekeerd. In de loop van de week is de olieprijs toch weer boven de 100 dollar per vat gekomen. Op de financiële markten groeit de vrees dat de Iraanse blokkade van de Straat van Hormuz langer zal duren dan de Amerikanen eerder wilden toegeven. Daarmee kan 15 procent van de olieproductie in de wereld niet naar zijn afnemers worden vervoerd, wat geldt voor 20 procent van de wereldwijde lng-productie.

Het vrijgeven van de 400 miljoen vaten olie staat ongeveer gelijk aan 20 dagen aan schepen die door de Straat van Hormuz varen. En omdat verschillende olielanden door overvolle opslagtanks de winning van olie hebben gestaakt, kunnen leveranties nog langer uitblijven, zelfs na een eventuele opheffing van de blokkade.

Als de blokkade nog vier of vijf weken voortduurt, zal de olieprijs oplopen tot 150 dollar per vat, verwachten verschillende zakenbanken. Als Iran zijn dreigement waarmaakt dat het de wereldeconomie grondig wil verstoren en dat het de blokkade zelfs maanden kan volhouden, kan de prijs volgens dezelfde economen zelfs boven de 200 dollar per vat uitkomen. Dat is veel hoger dan het record van 147 dollar dat in 2008 werd bereikt.

Meer dan olie en gas

De gevolgen daarvan gaan veel verder dan wat consumenten aan de benzinepomp of op hun energierekening terugzien. De secundaire effecten voor bedrijven en consumenten zijn nog niet te overzien. Energie-intensieve industrieën zien door de stijgende olie- en gasprijzen hun kosten oplopen en zullen dat doorvertalen in hun prijzen. In de chemie is olie een cruciale grondstof voor de productie van onder meer plastics, kunststoffen en bestanddelen van geneesmiddelen.

Maar door de blokkade van de Straat van Hormuz ligt niet alleen de aanvoer van olie en vloeibaar aardgas stil. Uit de landen rond de Perzische Golf komen ook gassen die bij de productie van kunstmest worden gebruikt. Hogere prijzen voor kunstmest zullen op termijn leiden tot hogere voedselprijzen.

In Qatar en Bahrein staan grote aluminiumsmelters, waarvan de productie en export stil zijn gevallen. Ook de markt voor zwavel, een bijproduct van olieraffinage, is verstoord. En dat fnuikt weer de productie van koper, waarvoor zwavel nodig is. Verstoring van de levering van helium uit het gebied heeft gevolgen voor de productie van computerchips.

Bedrijven zijn al gewend aan onderbrekingen in hun internationale productieketens, bijvoorbeeld door de coronapandemie en de oorlog in Oekraïne. Door de nieuwe schok zullen ze sneller overgaan van just in time naar just in case, waardoor ze veel grotere voorraden zullen aanhouden dan de minimale waarmee ze jarenlang kosten laag konden houden. Want grotere voorraden drijven de kosten voor bedrijven op en daarmee op langere termijn ook de prijzen die zij aan hun afnemers rekenen

Bedrieglijk kalme beurzen

Te midden van al deze onzekerheid valt het op dat de aandelenkoersen zich opvallend goed houden bij de systeemschok die de oorlog tegen Iran teweegbrengt. Wereldwijd zijn ze sinds de aanval met slechts 5 procent gedaald. Veel analisten noemen als verklaring het ‘spiergeheugen’ van beleggers: vorige schokken, waaronder de coronapandemie en de aanval op Oekraïne, waren snel voorbij en de beurzen bleven daarna rustig doorstijgen. Kennelijk is dat nu ook het scenario waar zij rekening mee houden. Maar die houding is niet zonder risico’s.

Een van de risicofactoren is het monetaire beleid. Duurdere energie zorgt voor hogere inflatie. En die wordt hardnekkiger naarmate de oorlog en de energiecrisis langer duren. Op de obligatiemarkt, waar staats- en bedrijfsleningen worden verhandeld, lopen de rentes op: In Nederland is de rente op de tienjarige obligaties, die onder meer van invloed is op de hypotheekrente, nu al gestegen van 2,7 procent naar boven de 3 procent. In andere landen, waaronder de VS, gaat het nog harder. Beleggers verwachten dat centrale banken hun dit jaar geplande renteverlagingen niet zullen uitvoeren, of zelfs hun rentes zullen verhogen om de oplopende inflatie in de hand te houden.

Daarnaast zijn er tekenen van kwetsbaarheid in het financiële systeem, die door een economische crisis zichtbaar worden. Een bestuurder van zakenbank Goldman Sachs stipte deze week aan dat de oorlog de aandacht van de markten afleidt van dalende koersen van sofwarebedrijven en van de investeringsmaatschappijen die softwarebedrijven gekocht hebben of hun krediet hebben verschaft. Uit angst dat AI de verdienmodellen van die softwarebedrijven onderuithaalt, trekken beleggers zich terug.

Private-equityfirma’s hebben in de afgelopen jaren juist veel softwarebedrijven gekocht in de verwachting dat die zouden groeien. Daarvoor gingen ze geen leningen aan bij banken, maar bij private-creditfirma’s die geld aantrekken van institutionele beleggers en in toenemende mate van welvarende particulieren. Juist die worden nu ongerust en trekken hun geld terug uit een markt die inmiddels 1.800 miljard dollar groot is.

De beurskoersen van zowel private-equity- als private-creditfirma’s kwamen in de afgelopen weken zwaar onder druk te staan. Ondertussen is onduidelijk of hun bezittingen en leningen nog de waarde hebben waarvoor ze in de boeken staan.

Voorbereiden op ondenkbare

Dure olie, inflatiedreiging, verstoorde productieketens en financiële fragiliteit: wat betekent dat voor de wereldeconomie? Hoe sneller de vijandelijkheden over zijn, hoe vlugger de olie- en gasproductie weer op gang komt, hoe meer de internationale productieketens intact blijven en hoe minder diep de littekens zijn die de Iran-oorlog zal achterlaten. Maar hoe langer het conflict voortduurt, hoe dieper en hardnekkiger de schade aan de wereldeconomie.

Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) komt pas volgende maand met zijn halfjaarlijkse prognoses voor de wereldeconomie. Maar het zou vreemd zijn als de groeiverwachtingen niet worden teruggeschaald en de inflatieverwachtingen niet worden verhoogd. In een speech deze week riep IMF-directeur Kristalina Georgieva regeringen op om zich „voor te bereiden op het ondenkbare”.

Dat hangt allemaal niet alleen af van de oorlog zelf, maar ook van in hoeverre er internationale beleidsrust is. En ook die is ver te zoeken. Deze week, midden in alle chaos, kondigde de regering-Trump aan onderzoek te doen naar het bestaan van dwangarbeid in landen waartegen ze de handelstarieven wil opschroeven, nadat de vorig jaar ingevoerde heffingen door het Hooggerechtshof onrechtmatig werden verklaard. Dat onderzoek, dat moet leiden tot heffingen onder wetgeving waardoor die wél mag, richt zich onder meer op Canada én de Europese Unie – waarvan veel landen nu de oorlogsinspanningen van de Amerikanen ondersteunen.

Zo gaat het antagonisme tegenover vijand én vriend door de regering-Trump door. Andere landen spannen daar intussen garen bij. Zo is China van de weeromstuit een baken van rust en rechtmatigheid aan het worden. Het heeft bovendien grote olie- en gasvoorraden, waardoor Chinese bedrijven en consumenten minder hard geraakt worden.

 En Rusland, waartegen de oliesancties deze week tijdelijk werden verzacht, verdient nu naar schatting dagelijks 150 miljoen dollar méér aan zijn olie. Dat is 1 miljard per week extra voor de oorlog tegen Oekraïne. Met dank aan de onbesuisdheid van het Witte Huis.

Lees het hele artikel