Na veel geploeter komt het buurthuis tot leven. ‘Iedereen die ik ken is hier’

3 uren geleden 1

Michel Koreman (54) leunt tegen de blauw geverfde deurpost van het buurthuis. Hij heeft flesjes cola in de koelkast en op tafel vellen papier, stiften en koekjes. Om één uur zouden de buurtkinderen komen, één uur werd kwart over twee en nog is er niemand.

Het is 11 juni 2025. Koreman begint net bekend te raken met deze Rotterdamse buurt, Schiebroek-Zuid, ruim drie maanden heeft hij de sleutels van dit pand. Wat hij in die korte tijd leerde: dat je altijd maar moest afwachten wie kwam opdagen. Bewoners liepen binnen, zeiden terug te komen, bleven weg. Niemand was ooit op tijd.

Hij moest ook altijd maar afwachten hoe hij het pand aantrof. Oranje graffiti plakt tegen de buitenmuur. Een steen ging door de ruit naast de voordeur – het handgeschreven ‘welk’ bleef hangen, ‘om’ lag in scherven op de grond. De tuinslang verdween, een bankje ging doormidden. Buurtkinderen vernielden de moestuin, waarbij ze stenen, zeil en takken rommelig tussen de geknakte plantjes achterlieten, als een hut.

Koreman was hoopvol.

Op de stenen en takken liet hij een envelop achter. ‘Aan de beste huttenbouwers’ schreef hij. Voor een échte hut moesten ze maar eens langskomen. Dan mochten ze er zelf een ontwerpen en hij zou zorgen dat die er na de zomer kwam, beloofd. De weken erna hoorde hij niets.

Een leeg kleutergebouw

In Schiebroek-Zuid, een buurt met ruim zevenduizend bewoners in het noorden van Rotterdam, gaan heel wat kinderen zonder ontbijt naar school. Ze delen slaapkamers, hebben niet altijd een fiets, laptop, of passende schoenen, ze zien geen musea of strand. Ook zomervakanties brengen ze door op straat. Daar moeten ze zich zien te verhouden tot dronken mannen, drugsdealers en vechtende jongeren.

Zelf vechten ze ook.

Hun huizen hebben enkel glas, dunne muren en schimmel. Woningcorporaties Hef en Havensteder zijn hard aan het renoveren, maar voor sommigen duurt het nog jaren voor hun huis aan de beurt is. Bewoners hebben moeite om rond te komen. Instanties, maar ook elkáár weten ze niet goed te vinden – al die talen, kleine kamers, vol hoofd.

Een niet zo weerbare buurt, zou het nu heten.

In Schiebroek-Zuid is bovendien niets te doen. Als iets de buurt vooruit zou helpen, zeiden bewoners eind 2024 eenstemmig toen NRC hen er naar vroeg, is het een buurthuis. Daar zouden ze kunnen koken en eten en elkaar vooruit helpen. Er was geen plek, zei de gemeente.

Vlak erna kwam een deel van de Stephanusschool leeg te staan. De basisschool kreeg een modern pand, de noodcontainers waarin leerlingen tot dan les hadden gehad konden net voor oud en nieuw worden verwijderd om brandstichting te voorkomen.

Het stenen kleutergebouw bleef staan. Vijfhonderd lege vierkante meter. Er werd om gevochten, voor kinderopvang, schuldhulpverlening, als atelier, repetitieruimte, er zouden ook woningen kunnen staan.

Links: het buurthuis is gevestigd in het voormalige kleutergebouw van een school. Rechts: de gebroken ruit naast de deur wordt maandenlang niet gerepareerd.

Hedayatullah Amid

De wijkmanager, in dienst van de gemeente, zette zich in voor een buurthuis. Een dat niet door de gemeente zelf zou worden gerund. Het moest een plek worden voor en van de buurt zelf. Hij klopte aan bij Michel Koreman, voorheen actief in marketing, in oorlogsgebieden voor SOS Kinderdorpen, tv-producent bij Feyenoord.

Als buurtbewoner had hij al eens het wijktheater overgenomen in het rijkere noorden van Schiebroek toen de gemeente daar vanwege bezuinigingen vanaf wilde. Die plek, De Buurvrouw, functioneert inmiddels volop als ontmoetingsplek in dat deel van de wijk. Er zijn zanglessen, optredens en etentjes voor eenzame ouderen.

Begin maart 2025 gaf de gemeente Koreman de sleutels van het pand in Schiebroek-Zuid. Hij hoefde geen huur, gas en licht te betalen. De overige financiën, daar zouden ze wel uitkomen. Achterin was één lokaal voor de lokale voedselbank en één voor een organisatie die bij mensen thuis klust. De andere drie waren voor hem, voor het buurthuis, in ieder geval de komende twee jaar. Daarna zou de gemeente opnieuw bedenken wat met het pand moest gebeuren.

Een buurthuis klinkt als iets stoffigs uit de jaren zestig en zeventig, met opbouwwerkers en shag. In Rotterdam kwamen er de wat formelere wijkhubs voor in de plaats, met ambtenaren en welzijnsorganisaties die elke aanbesteding wisselen. Het zette bewoners aan om op kleinere schaal in hun eigen buurt aan de slag te gaan met speelplekken, koffielokalen, leeszalen en moestuinen voor ontmoetingen.

Voor die initiatieven hebben gemeenten de laatste jaren meer aandacht, ook uit noodzaak. Het lukt ze niet zelf om eenzaamheid te bestrijden, zorgkosten te remmen, bewoners snel bij te staan in rampspoed, buurten te versterken. In Rotterdam was de ‘sociale index’ (samenredzaamheid, participatie, omgang met buurtbewoners) nog nooit zo laag, blijkt uit recent onderzoek van de gemeente zelf.

„Ontmoetingsplekken staan onder druk”, schrijft ook het nieuwe kabinet in het coalitieakkoord en belooft een fonds „om buurthuizen, verenigingsgebouwen en dorpswinkels te realiseren en te behouden”.

Om zicht te krijgen op de praktijk, volgde NRC een jaar lang de perikelen in en om zo’n nieuw buurthuis.

Vanaf het balkon

Rondom het stenen pand staan hoge flats met sociale huurwoningen voor mensen met de laagste inkomens. Er wonen gezinnen met Somalische, Syrische, Antilliaanse, Surinaamse, Marokkaanse, Irakese, Congolese, Turkse, Ghanese, Oekraïense, Eritrese, Kaapverdische, Ethiopische, Afghaanse wortels. Vanachter hun ramen en vanaf hun balkons zien ze alles wat in hun buurt gebeurt.

De eerste maanden zien ze dit: tientallen witte mensen die vanuit het niets druk het pand in en uit lopen. Aan het eind van de dag rijden die per auto of racefiets de buurt weer uit. De bewoners horen dat hier een buurthuis komt. Ze roepen al zo lang om een plek om samen te eten, te koken, samen te komen. Het is hún buurt. Waarom heeft de gemeente hún niet gevraagd wat ze willen, of om het te runnen?

Het zorgt voor argwaan en praatjes. Je kunt er je stofzuiger laten maken, horen ze, maar dat kan al achter in de ruilwinkel. Hun kinderen mogen er schilderen, maar die doen dat al jaren in het lokaal ertegenover. Ze mogen een speelhut ontwerpen, horen ze ook.

Het doet hen denken aan de speeltuin die hun kinderen al eens hielpen ontwerpen, die kapot ging aan vernieling en verdween. Goede bedoelingen beklijven niet in Schiebroek-Zuid, weten ze hier.

Kinderen helpen met de gevelplantjes, de tenen van een jongetje van vier hellen over de rand van zijn slippers

De kinderen laten zich als eersten zien. Als Michel Koreman in de voorjaarszon de gevel beplant, helpen kleine kinderen mee. De tenen van een jongetje van vier hellen over de rand van zijn slippers, hij kan zich niet goed verstaanbaar maken en ouders laten zich in die twee uur niet zien. De brief aan de huttenbouwers is weg, maar kinderen zeggen hem te hebben gelezen.

Ze beloven binnenkort langs te komen om een hut te tekenen.

Het houtwerk krijgt verf, er komen kasten, schoonmaakspullen, kookapparatuur, brandblussers, vuilcontainers, een tweedehandsbank, internet. Op 4 juni beginnen de inloopochtenden op woensdag en vrijdag, met op tafel thermoskannen koffie en thee, hoge glazen en lepeltjes, takjes munt en brownies, de vensterbank vol kamerplanten.

Links: Ubah Moussa maakt thee. Rechts: een inloopochtend in het buurthuis, met v.l.n.r. Mandy Los, Maryam Osman, Virginia Lieveld en Ubah Moussa.

Foto Hedayatullah Amid

Ubah Moussa (41) en haar vriendinnen Virginia Lieveld (67) en Maryam Osman (ze vertelt niemand hoe oud ze is) komen trouw, net als Jozef Basak (29) en Farid Jedid (38). Veel groter wordt het groepje de eerste maanden niet.

Virginia komt uit een gezin van elf. Ze was voedingsassistente in het ziekenhuis en vertrouwt op God, ook in coronatijd. Voor haar geen prik. De jongste is net uit huis, ze is moe. „Ik heb mijn hele leven geknokt”, zegt ze. Het buurthuis is voor haar een reden om naar buiten te gaan en bezig te zijn. „Ik vind het fijn hoe ze met me omgaan.”

Ubah kent veel mensen in de buurt. Ze werkte in de thuiszorg en is overblijfhulp op een basisschool. Voor Maryam vertaalt ze de gesprekken aan tafel in het Somalisch.

„Lust je noedels?”, vraagt Ubah die net binnenkomt aan Jozef. Hij houdt van gamen en leest graag fantasyboeken. „Wie ik? Ja lekker”, zegt hij.

Ze zet een wit dun tasje met glimmende pakjes voor hem op tafel, Jozef pakt er voorzichtig een uit. „Ze zijn allemáál voor jou”, zegt Ubah. „Met citroensmaak, mijn kinderen lusten die niet.” Jozef lacht. „Ik ben in mijn eentje hoor, ik hoef ze niet allemaal.”

Ubah: „Dan geef je ze weg aan vrienden.”

Jozef: „Iedereen die ik ken is hier.”

Jozef Basak kwam aanwaaien. Bedachtzaam en groot, zachtaardig en slim. Hij oogt jong, met zwart haar, zwarte ogen en zwarte, wijde shirts. Hij groeide op in Ridderkerk. Zijn vader kent hij niet, zijn halfbroer ziet hij niet, zijn moeder overleed in 2017 aan longkanker, daarna kreeg zijn stiefvader last van zijn hart en longen. Jozef verzorgde hem drie jaar lang, tot aan zijn dood in december 2024.

Hij ging toen al niet meer naar school of naar zijn werk in een callcenter. Na het overlijden van zijn stiefvader moest hij ook nog eens zijn huis uit van de woningcorporatie. Jozef bracht er zijn jeugd door maar was formeel geen huurder. Zonder inkomen kon hij geen ander huis krijgen. Hij sliep niet meer, woog 140 kilo.

Een stichting hielp hem in mei 2025 verhuizen naar het eerste huis waarvoor hij in aanmerking kwam, een op de slooplijst in Schiebroek-Zuid. Daar zat hij, voor het eerst op zichzelf, in een buurt die hij niet kende, zonder familie of vrienden.

Een nieuwe start. Hij bezocht een maatschappelijk werker en een therapeut, ging een plant verzorgen, bestelde een nieuw matras, besloot te gaan vasten op donderdag en nam zich voor op alles ‘ja’ te zeggen.

Hij belde aan bij zijn buren naast en boven om zich voor te stellen, één man deed open. Vanuit zijn raam keek hij uit op het nieuwe buurthuis. App ze, zei de vrouw van de stichting die hem hielp verhuizen en gaf Jozef het nummer van Mandy Los – zij helpt Koreman in het buurthuis.

Tijdens een eerste bezoek van NRC bij hem thuis, in juli, verontschuldigt Jozef zich voor zijn fiets in de gang, de voordeur komt er tegenaan. Op een plank staan naast zijn boeken en de plant, een ingelijste foto van zijn moeder en stiefvader en hij in het midden. Hij wil werken, maar weet niet wat en moet tot rust komen. In het buurthuis helpt hij Mandy met het groen. „We gaan de planten en bosjes om het hek wikkelen.”

Verschilt Schiebroek-Zuid van Ridderkerk? Jozef: „Daar had je de ongeschreven regel dat je netjes gedag tegen iedereen zegt. Dat is hier niet, ik vind dat niet erg.”

Wat verwacht hij van het buurthuis? „Een plek waar je naar toe kan zonder dat je beoordeeld wordt of spanning voelt. Een soort van safe space in de buurt.”

‘Nee’ tegen alles

De eerste maanden is het buurthuis alleen die twee ochtenden open, met dat kleine vaste clubje. Er komt druk van instanties. Moet Koreman niet langer open? Meer organiseren? Wat gebeurt er eigenlijk in dat buurthuis? Is er een programma? Kan de welzijnsorganisatie er iets doen? Komt er een voorstelling? Medische voorlichting?

Koreman zegt op alles nee. Hij wil net als de wijkmanager en de mensen in de buurt dat het buurthuis voor en van de bewoners is. Hij heeft daar strikte ideeën over, waar een naam voor blijkt te zijn: asset based community development. Het betekent dat als het op zijn manier gaat, de gemeenschap in Schiebroek-Zuid misschien wat later tot bloei komt, maar dat de kans dat die hecht blíjft groter is, omdat de plek, de ideeën, de activiteiten van bewoners zelf zijn.

Als hij het goed doet, zegt Koreman, maakt hij zichzelf overbodig.

De gemeente vroeg Michel Koreman een jaar geleden het buurthuis op te zetten.

Foto Hedayatullah Amid

Hier een buurthuis beginnen valt hem zwaar. In andere kwetsbare buurten wonen óók kunstenaars, studenten, gepensioneerde advocaten of activisten, hier niet. De vernielingen houden aan. De zelfgebouwde kas wordt steeds gesloopt, het slot van het hek raakt ontwricht, ook nieuwe bankjes en nieuwe ruiten gaan eraan. Het vaste groepje groeit minder hard dan hij had gehoopt en niemand neemt nog initiatief, niet echt.

De gemeente komt niet door met geld, zijn relatie loopt spaak. Hij overnacht bij vrienden en een enkele keer in De Buurvrouw, het theater en buurthuis in het noorden van de wijk. Ook dat heeft hij nog te runnen. Op een bijeenkomst voor sociaal ondernemers vertelt hij dat het geld dat in het buurthuis in het noorden wordt verdiend „zo rechtstreeks naar het buurthuis in Schiebroek-Zuid gaat”.

Magie is er ook. Als Ubah er eens niet is, komt haar vriendin Maryam toch, al kan ze de gesprekken aan tafel zelf niet goed volgen. Ze heeft acht kinderen, van wie er vier nog thuis wonen. Ze schenkt thee, glimlacht. Ineens staat ze op om de planten in de gang te besproeien.

Jozef krijgt de sleutel, opent en sluit de deuren, zet thee klaar en helpt in de moestuin. Moeders vertellen waarom hun kinderen zonder toezicht buiten spelen: de gemeente haalde de bankjes bij de speelplekken weg. Mandy zorgt dat er weer bankjes komen, Ubah en Virginia maken plannen voor een naai- en kookclubje voor vrouwen. De vaste bezoekers kijken naar elkaar om („Hey Virginia, is je zoon al naar het revalidatiecentrum?”).

Op woensdagmiddag 11 juni verzamelen dertien basisschoolkinderen zich in het buurthuis om een „droomhut” te ontwerpen. Half drie, anderhalf uur te laat. Ze praten door elkaar en zingen liedjes uit Lilo en Stitch en van Chavanté (‘Doe een pose’).

Op hun droomhut tekenen kinderen een codeslot. ‘Anders breken de oudere kinderen in en maken ze alles kapot’

Een meisje van negen tekent een blauwe glijbaan met roze, „voor jongens en meisjes”. Haar broertje: „Hier heb ik schommels. Dit is een Playstation 5.”

Op de andere tekeningen: een koelkast vol eten, een matras, een tv („mag dat?”), een codeslot. „Anders breken de oudere kinderen in en maken ze alles kapot.” Ze verzinnen een lange code van de leeftijden van alle kinderen aan tafel.

Er komen wat drukkere, oudere jongens binnen, de sfeer verandert.

„Ho ho”, zegt Koreman als de jongens de koelkast opentrekken. „Alleen als je aan de boomhut werkt. Nog vijf minuutjes en dan gaan we allemaal buiten spelen.”

Niemand luistert meer. De kinderen gillen, de groep moet uit het gebouw verdreven worden. Telkens als er een buiten staat, glipt een ander via de andere ingang weer naar binnen. De drukste verstopt zich. Achter hem gaat de deur snel op slot.

Het is voor Koreman aanleiding de wijkagent uit te nodigen. Hij wil geen camera’s, niets melden, het buurhuis moet geen fort worden. Hij wil alleen weten hoe hij het best met de drukke kinderen om kan gaan. „Ik zou gewoon eerlijk en kort zijn”, zegt de wijkagent. „Dat is wat werkt: eerlijk en kort. Je grenzen aangeven. Anders lopen ze faliekant over je heen.”

En als ze niet luisteren, wil Koreman weten.

„Tja”, zegt de wijkagent, „dat is een lastige, ze luisteren niet.”

Afgezaagde speeltoestellen

Als de wijkmanager van de gemeente ernstig ziek wordt, komt er een vervanger. Ook de wijknetwerker van de gemeente die er zo’n anderhalf jaar zit, krijgt een opvolger. Het is voor Koreman moeilijk bij te houden bij wie hij voor wat moet zijn. Hij regelt zijn eigen fondsen en subsidies, organiseert een crowdfunding in de rijkere delen van de wijk, draagt bij uit eigen zak, husselt wat vanuit het noorden.

Ook de gemeente heeft hij nodig. Die zou een deel van de kosten dragen en het gebouw en de grond eromheen onderhouden. Als hij iets van hen nodig heeft, gaat steeds een ander erover. Alleen al het stenen pand is „in leegstandsbeheer via de afdeling vastgoed”, maar valt financieel onder „de onderwijsportefeuille”, aldus de gemeente.

Na een eenmalig bedrag voor de eerste opstartkosten ontving hij niets meer. De ruit bij de voordeur mag van de gemeente niet worden vervangen door wat dikker glas, dat is te duur. Voorlopig zit er hardboard. Het grote voorplein blijft vol diepe gaten en uitstekende staven van afgezaagde speeltoestellen. Telefoontjes van Koreman helpen niet. Mandy wil van het plein iets moois maken, met fruitbomen, bankjes en plantenbakken en dat kan nu niet.

Mandy Los en Jozef Basak werken aan een houten ombouw voor een container.

Foto Hedayatullah Amid

Rotterdamse wethouders laten zich om eenzelfde reden niet over het onderwerp ‘buurthuizen’ interviewen door NRC: meerdere wethouders gaan erover. Vragen mailen kan wel. Drie wethouders, hun ambtenaren en stafleden buigen zich over enkele tientallen vragen, een maand lang. De antwoorden komen gebundeld. Burgerinitiatieven zoals dit buurthuis zijn „zeer waardevol”. Ze zorgen voor „de verbindingen” tussen bewoners en die „zijn – juist in deze tijd – ontzettend belangrijk”.

De gemeente wil ze daarom „beter faciliteren” en de gemeenteraad wil dat ook. Maar de gemeente heeft er vooralsnog niet meer geld voor over. Tijdens een werkontbijt begin dit jaar zijn raadsleden en ambtenaren enthousiast. Natuurlijk moet er structureel meer geld en aandacht zijn voor burgerinitiatieven, maar als het er op aankomt, bij een stemming in het stadhuis vlak erna, verbindt ook de raad geen extra geld aan de aardige woorden.

Stoelendans

Na de kinderen komen de moeders, het wordt drukker. Soms zitten er ineens vijftien bij elkaar. Er komt een extra tafel, een appgroep vanaf september, extra stroompunten. Ook Ubah krijgt een sleutel. Farid kan niet werken, chronisch vermoeidheidssyndroom. Hij brandt tekeningen op dunne platen en gaat laptops repareren van bewoners. 

Twee zussen koken soms voor de groep. De andere vrouwen snijden, vullen en vouwen op een middag het zelfgemaakte deeg met gehakt – mantoe heet het gerecht. Ze vinden elkaar in hun ergernis over troep op straat, de portiektrappen die ze moeilijker belopen nu ze ouder worden, de vraag of je afvalheffing in termijnen mag betalen.

Ze hebben het VGZ Rotterdampakket voor mensen met een lager inkomen, wisselen kleingeld in voor briefgeld bij de Gamma in Blijdorp, daar kan het nog. Ze delen zieke kinderen, pijnlijke handen en knieën, slaapproblemen. Als een vrouw zacht neuriet tijdens het deegvouwen, vallen drie vrouwen haar een voor een bij – koranverzen.

Alleen Patricia van de taalles komt uit een andere wijk, maar iedereen vindt haar zo aardig dat dat niet uitmaakt

Een vrouw vertelt op een koffieochtend dat ze heeft gesolliciteerd als thuiszorgmedewerker, maar niet is aangenomen omdat ze niet kan fietsen. Er komt fietsles voor vrouwen, conversatieles, dansles voor kinderen. Alle lessen worden gegeven door vrouwen uit de buurt. Dat schept vertrouwen. Alleen Patricia de la Houssaye van taalles komt van verder, maar iedereen vindt haar zo aardig dat dat niet uitmaakt.

Maria Fernandes gaat de dansles geven aan kinderen, de eerste keer op zaterdag 1 november. Ze neemt haar twee zonen van 12 en 8 mee. Twee meisjes mogen van hun ouders alleen komen als Maria hen thuis ophaalt. Een vader komt zijn dochter zelf brengen, ook hij kent Maria.

Van een echte dansles komt het nog niet. Vijf jongens, zes meisjes, ze springen, dansen, zingen. Ze willen de microfoon, twee krijgen ruzie, een moet huilen. Met stoelendans doet iedereen mee. Zonder het af te spreken laten de kinderen de allerkleinste, een meisje van drie met twee staartjes, winnen. Ze juichen voor haar.

Geboren in Kaapverdië, keukenhulp in restaurants in Lissabon. Maria maakte dagen van zeven tot zeven om haar gezin te kunnen onderhouden. Ze wilde haar zonen meer zien, ze wenste hen een minder hard leven. Een vriend woonde in Nederland.

In Harderwijk ging ze aan de lopende band beschuit inpakken. Een uur lopen van huis naar de fabriek, tot haar Poolse collega’s haar leerden fietsen. Toen aan de lopende band in een vleesfabriek bij Utrecht. „Ik moest het varken in de machine brengen om daar in te slapen, met gas.” Ze scande varkens, klopte registratienummers in, „vijf seconden om zes nummers in te vullen”. Het team was leuk, ze lunchten samen.

In oktober 2022 kwam ze in een flat in Schiebroek-Zuid, de gordijnen haalde ze weg, „ik houd van licht”. Nu pakt ze bestellingen in bij boodschappenleverancier Picnic in Berkel, van zes in de ochtend tot vier. Ze mist het slachthuis. Picnic kent eigen targets, eigen lunch. Haar oudste zoon brengt zijn broertje elke dag van en naar school. Maria vroeg het na bij het Juridisch Loket, „vanaf twaalf jaar mag dat”. In de middag zijn ze nu alle drie samen. Op tafel ligt een boek over hoe kinderhersens werken.

Stippen en hartjes

Tegen Kerst zijn ook de taallessen begonnen. De verwarming doet het eindelijk en staat al vier dagen te loeien om de kou uit de muren te krijgen, dat moest. Jozef heeft donkere wallen onder zijn ogen. Rond deze tijd vorig jaar overleed zijn stiefvader. „Als een film zie ik weer voor me hoe dat was.” Elke avond, al een jaar lang, logt hij stipt op tijd in op Woonnet.nl. Nooit is een huis voor hém. Hij denkt dat hij in juni zijn huis uit moet. Een urgentieverklaring krijgt hij niet, hoe zwaar hem ook de dreiging valt weer op straat te kunnen belanden, of in een nieuwe buurt opnieuw te moeten beginnen.

„Er is één verschil met toen”, zegt Jozef. „Ik ken nu mensen om te helpen verhuizen.”

Zonder huis in zicht is het ook lastig werk zoeken. Werk en Inkomen, de gemeentedienst die hem kan helpen te integreren, laat al maanden niets horen. Jozef maakt er het beste van. Hij loopt elke dag tienduizend stappen en kijkt uit naar Kerst. Twee vrienden uit Malta die hij online heeft leren kennen, komen langs.

Virginia laat zich al maanden niet zien in het buurthuis. „Ik kom snel weer”, zegt ze bij een ontmoeting in de buurt maar dat gebeurt niet.

Patricia komt binnen voor de taalles om half tien. Maryam is nog de enige. Patricia begint alvast: „Vandaag was ik met de auto en toen zag ik een muis. Dood. Heel vies.”

Maryam: „Huis. Water. Geen buiten”. Ze wijst naar haar flat: „Ratten weg. Geen water.”

Iedereen denkt mee: ze woont niet aan het water en dus heeft ze geen last van ratten? Dat is het. Er zijn twee nieuwe vrouwen. Zij zien wel ratten. „Ze komen op het afval af”, zegt de een. Toen er veel grofvuil voor de deur stond, belde ze de gemeente. „Na tweeënhalve week werd het opgehaald.” Ze zien mensen van de gemeente met handschoenen door het afval gaan. Gebeurt dat in andere buurten ook?

Een bezoeker in het buurthuis werd daar de dupe van. Randa heeft twee Syrische pleegzonen in huis, van 14 en 15 jaar. De oudste zette een vuilniszak naast de volle afvalbak, hup, een boete. Die had ze nog niet afbetaald of er kwam een tweede. Ze miste een betalingstermijn. Hoe moest ze de honderden euro betalen, ze sliep er al maanden niet van. Op een ochtend barstte ze in huilen uit.

Mandy en de nieuwe vrijwilliger Angelique Harbers belden de gemeente. Koreman schoot het bedrag voor. Randa kookte als dank voor de groep en breide een sjaal voor Mandy en Angelique.  

Om tien voor tien komt Zabib binnen, nu begint de taalles in het lokaal ernaast.

Patricia: „Kan je fietsen?”

Maryam: „Moeilijk. Met knieën.”

De foto’s op tafel gaan feilloos. Gootsteen. Vork. Afwasser. Borden. Glas. Beker, weten de vrouwen. „Hoe noemen we vorken en messen en lepels samen?” „Bestek”, zegt Maryam, ze straalt.

In het nieuwe jaar vertelt Jozef hoe leuk hij het had met zijn Maltese vrienden. Hij nam ze mee naar Amsterdam en de kerstmarkt. Hij raakte dit jaar 40 kilo kwijt. Hij heeft contact met Werk en Inkomen. De sloop van zijn huis is uitgesteld tot november.

Farid bracht de Kerst alleen door.

Virginia meldt zich in februari ineens weer in de appgroep, met inmiddels 50 bewoners. Ze geeft zich op voor naailes.

Maria vond werk als huishoudelijke hulp in de thuiszorg, in de buurt, nu kan ze haar kinderen zelf naar school brengen. Op dinsdag en zaterdag geeft ze bewegingsles aan de vrouwen in het buurthuis.

De gaten in het voorplein zitten er na een jaar nog.

Koreman woont sinds 1 maart wisselend bij bekenden in de wijk, doucht in de Buurvrouw en dit voorjaar zet hij zijn camper op een camping in de buurt.

De droomhut komt er, met vertraging. Mandy smolt de tekeningen met AI tot één hut en die gaan ze bouwen, ongeveer. De aannemer leverde de planken, woningcorporatie Hef stuurt mensen om de kinderen te helpen met het schilderen van de planken, op 27 februari.

Zo’n zestien kinderen, ze voetballen eerst liever maar als het gaat regenen komen ze binnen. Er staan tafels klaar met losse planken erop voor tegen de hut, die worden roze, lila, blauw, geel, rood. Stippen, golfstrepen, hartjes. Vier jongens schrijven met stift hun namen erop. De meisjes ‘S + M + S = BFF’. „Ik ben blij”, schrijft een meisje van zes. 

Patricia kijkt mee met Maryam tijdens een conversatieles aan de buurtbewoners.

Foto Hedayatullah Amid
Lees het hele artikel